Niet minder dan 21 verdachten staan terecht in wat nu al een van de meest spraakmakende financiële strafprocessen in België wordt genoemd. Het Ieperse Lernout & Hauspie (L&H) opereerde - aldus het parket - als een geoliede geldmachine die "allerlei creatieve en betwistbare constructies bedacht om snel omzet te kunnen genereren ten einde de koers te ondersteunen en aldus nieuw kapitaal te kunnen aantrekken".
...

Niet minder dan 21 verdachten staan terecht in wat nu al een van de meest spraakmakende financiële strafprocessen in België wordt genoemd. Het Ieperse Lernout & Hauspie (L&H) opereerde - aldus het parket - als een geoliede geldmachine die "allerlei creatieve en betwistbare constructies bedacht om snel omzet te kunnen genereren ten einde de koers te ondersteunen en aldus nieuw kapitaal te kunnen aantrekken". Een van de bewijsstukken waarmee het parket op het proces hoge ogen wil gooien, is de Engelstalige cd-opname van een telefonische vergadering die de vier spilfiguren van L&H - Jo Lernout, Pol Hauspie, Nico Willaert en Gaston Bastiaens - op 16 november 2000 hadden met twee lokale managers van L&H Korea, Sam Cho en John Seo. In dat gesprek zet net Jo Lernout - die altijd bij hoog en bij laag zijn grote onschuld staande hield - de Koreanen aan om John Duerden, de toenmalige CEO van L&H, om de tuin te leiden. Hij mag onder geen beding toegang krijgen tot de rekeningen van L&H Korea, omdat hij anders zou ontdekken dat een groot deel van de activa van L&H Korea in pand zijn gegeven in het kader van dubieuze factoringcontracten. "Probeer te vermijden dat de bank verplicht wordt om de rekeningen te openen," bezweert Jo Lernout. En hij voegt er letterlijk aan toe: "Als een paar zaken die daar gebeurd zijn aan het licht komen, dan gaan we allemaal naar de gevangenis en kunnen we jullie niet meer steunen, en dan verliezen we alles wat we opgebouwd hebben." In het gesprek valt ook te horen hoe Lernout de L&H-stichter Sam Cho onder druk zet om voor rekening van HI Worldwide, een mysterieus Koreaans bedrijfje dat eind 1999 een licentiecontract afsloot met L&H, een betaling te doen. Op zijn minst 1 miljoen dollar moet overgeschreven worden, zodat KPMG de indruk krijgt dat L&H Korea wel degelijk zijn financiële verplichtingen kan nakomen. In niet mis te verstane woorden verhoogt hij ook de druk op de Koreaan om de lokale bank Hanvit te overtuigen een onderpand van 30 miljoen dollar - geld dat eigenlijk toebehoort aan het Flanders Language Valley Fund - vrij te geven. "Het is illegaal om dat geld te blokkeren. Als dat geld niet vrijkomt, dan zitten jullie binnen een paar dagen in de gevangenis," aldus Jo Lernout. Een van de sterktes in het gerechtelijk dossier is dat het parket in 2004 tijdens een rogatoire missie in Seoel de hand kon leggen op diverse schriftelijke stukken uit een strafonderzoek die de Koreaanse autoriteiten drie jaar daarvoor hadden gevoerd. Dat gebeurde na een klacht van L&H België tegen het Koreaanse management. Precies door confrontatie met die bewijsstukken gingen Jo Lernout en Pol Hauspie tot bekentenissen over. Zo verklaarde Hauspie op 25 mei 2005 aan het gerecht, in verband met een Koreaanse transactie waarbij drie nepinvesteerders waren ingeschakeld: "Ik heb op dat punt KPMG opzettelijk misleid." Over de kunstmatige omzetcreatie met de taalbedrijven geeft het duo ook toe dat niet alles even koosjer was. "Zeker zijn er beoordelingsfouten gemaakt, waarvoor ik mijn deel van de verantwoordelijkheid ten gepaste tijde zal nemen," aldus Hauspie. Maar de zwartepiet hiervoor wordt doorgeschoven naar Gaston Bastiaens. "Gaston stelde zijn winstprognoses permanent te hoog om de koers op te drijven en verkrachtte alles wat hiervoor in de weg zat: structuren, procedures, klanten, cijfers, álles," argumenteert Hauspie. "Tot Gaston midden ons kortstondige geluk kwam zeggen dat hij nét dat ene kwartaal zijn prognoses niet kon halen. En wij liepen erin." Opvallend is dat Bastiaens zelf in alle verhoren zijn betrokkenheid bij mogelijke fraude blijft betwisten. En dit ondanks de vele stukken, aldus het openbaar ministerie, waaruit zwart op wit blijkt dat hij vanuit een irrationele drang naar hoge beurskoersen meehielp om valse omzetcijfers te boeken. De zwakte van het onderzoek ligt in het feit dat het parket niet zelf onderzoeksdaden heeft kunnen verrichten of getuigen verhoren in Korea. Ook werden diverse Amerikaanse betrokken partijen - zoals John Duerden, investeringsbankier SG Cowen of juridisch adviseur Brown, Rudnick, Freed & Gesmer - niet of nauwelijks aan de tand gevoeld. Dat kan een handicap zijn om de twee grote vogels in het beklaagdenbankje, KPMG en Dexia, het vuur aan de schenen te leggen. Want zeker in Korea lijken de aanwijzingen voor fraude manifest. Ook de manipulatie met kunstmatig opgedreven licentieverkopen via een dertigtal taalbedrijven valt niet zomaar te negeren. De verdediging van KPMG bevat in dat verband heel wat tegenstrijdigheden. Toch zal het geen makkelijke kluif zijn voor de openbare aanklager om een rechtstreeks verband te bewijzen tussen de (mogelijke) fouten die de bedrijfsrevisor heeft begaan en de schade die beleggers hebben geleden. KPMG wordt samen met revisor William Van Aerde aangeklaagd omdat ze de L&H-rekeningen niet goed hebben gecontroleerd en - a fortiori - het bedrijf hulp zouden hebben verstrekt bij de fictieve omzetboekingen. Dexia (ex-Artesia) wordt ervan verdacht het frauduleuze systeem te hebben gefinancierd. Het is manifest onjuist, zo stelt het parket, dat KPMG niet wist dat L&H technische ondersteuning wou leveren aan de taalbedrijven. Het concept van die taalbedrijven en ook de wijze waarop dit contractueel zou worden verpakt, is op voorhand uitgebreid met KPMG besproken. En er waren al vroegtijdig rode vlaggen of verontrustende signalen dat er iets niet pluis was. Zo merkte een interne medewerker, Karen Kleiner van het auditteam van KPMG België, al op 11 mei 1999 in een e-mail aan haar Amerikaanse collega Bob McLamb op: "Een aandachtspunt is dat hoewel de contracten afgesloten zijn met verschillende partijen waaronder Belgische en Singaporese ondernemingen, dezelfde goedkeurende handtekening op alle contracten staat, voor 22 miljoen dollar in totaal." Drie maanden later zond Erica Jenkin (KPMG België) een nog verontrustender bericht naar Bob McLamb en Jim Boyer (KPMG USA), met William Van Aerde in kopie: "We drukten onze bezorgdheid uit aan Carl ( nvdr - Dammekens, de CFO van L&H) aangezien wij van mening zijn dat hij onder druk staat om creatief boekhouden toe te passen." Voortdurend werden bij L&H allerlei heksentoeren uitgehaald om tijdig aan geld te raken. Maar KPMG zocht steeds naar kapstokken en excuses om die omzet te laten boeken. Commerciële overwegingen gaven de doorslag, zo stelt het parket. In 1998 verdiende KPMG 630.000 euro aan L&H. In 2000 was dat bedrag al opgelopen tot 3,3 miljoen euro. KPMG was tot erg veel bereid om zo een lucratieve klant te behouden. De dubieuze betaling van 25 miljoen dollar aan L&H Korea om de schulden van een rist Singaporese taalbedrijfjes te vereffenen, is illustratief. Het parket ontdekte in de werkpapieren van het auditbedrijf dat hierover grote vraagtekens werden gesteld. Maar het auditbedrijf veegde die prompt van tafel door de L&H-top te vragen bevestigingsbrieven te tekenen waarin zij stelden dat alles in orde was en dat de betalers onafhankelijk waren. "Deze brieven werden mij voorgedrukt opgestuurd door KPMG," zegt financieel directeur Carl Dammekens tijdens een verhoor. Toen hij zich daar enigszins ongemakkelijk begon bij te voelen, stelde het auditbedrijf hem gerust dat deze brieven toch maar getekend werden met de vermelding ' to the best of my knowledge'. In andere gevallen ging KPMG nog verder. Zo sloot L&H in juni 1999 een licentiecontract af met het taalbedrijfje 411.Com. KPMG maakte zich erg druk over de betalingsproblemen van die firma, maar keurde de geboekte omzet niet af. Integendeel. In een brief aan Nico Willaert schrijft Stefan Huysman (KPMG België) op 15 februari 2000: "Ik heb het aflossingsschema zo opgesteld dat het uitstaande saldo op 31 december 2000 niet hoger is dan 20 % van de totale schuld. Indien dit hoger zou zijn op 31 december 2000 vormt dit een probleem voor omzeterkenning onder US GAAP ( nvdr - de Amerikaanse boekhouding). Het alternatief is dat omzet maar mag erkend worden in functie van het afbetalingsplan." Dit schrijven bewijst duidelijk, zo stelt het parket, dat de commissaris-revisor gewoon heeft meegewerkt aan het boeken van valse omzet. De taalbedrijven waren namelijk niet onafhankelijk - zij kregen van L&H alle steun voor hun softwareontwikkeling -, ze werden gefinancierd met stromannen en als L&H al eens échte investeerders vond, dan werden die gepaaid met 'gratis' warrants of terugkoopbeloftes. KPMG was van dit alles perfect op de hoogte, zo argumenteert het openbaar ministerie. Pikant detail. In de kluis van Theo Erauw, de voorzitter van KPMG België (die buiten vervolging werd gesteld), vond het gerecht de kopie van een contract waarin Arabische investeerders warrants hadden gekregen van L&H en het geld dat zij voor de uitoefening van die warrants betaalden 'teruggestort' kregen door middel van een fictief consultancycontract. Op de kopie staat expliciet vermeld: "In feite geen consulting maar compensatie warrant agreement." De betrokkenheid van Artesia (nu Dexia) in het financieringskluwen rond L&H is even opmerkelijk. In 1998 en 1999 verstrekte de bank drie substantiële kredieten die dienden om niet minder dan vijftien taalbedrijven van middelen te voorzien, zodat zij hun licentievergoedingen aan L&H konden betalen. Dat leverde L&H een omzet op van 16 miljoen dollar in het tweede kwartaal van 1999. De toekenning van de eerste twee kredieten ging steevast in tegen het advies van de eigen, interne juridische dienst van Artesia. Zelfs de instructies van de interne audit werden met de voeten getreden. Het derde krediet dat in juni 1999 aan Jo Lernout, Pol Hauspie en Nico Willaert persoonlijk werd toegekend om zes nieuwe taalbedrijfjes op te richten, tart volgens het parket elke bancaire verbeelding. Deze kredietaanvraag - goed voor 20 miljoen dollar - werd initieel ingediend door Language Development Fund (LDF). De bank stelde hiervoor een uitgebreide nota op waarin nadrukkelijk werd vermeld dat het onder de Amerikaanse boekhoudkundige US GAAP-normen essentieel is dat er een volledige onafhankelijkheid is tussen LDF en L&H. Toch werd de aanvraag door het kredietcomité verworpen. In dezelfde zitting besliste het comité echter om 20 miljoen dollar hoofdelijk en ondeelbaar toe te kennen aan Lernout, Hauspie en Willaert. De bestemming van dit krediet werd in de kredietbrief uiterst vaag toegelicht als "de financiering van uw professionele activiteiten". Als zekerheid voor het krediet nam Artesia 650.000 aandelen van L&H in pand. In de kredietbrief stond ook de volgende bizarre zin: "De onherroepelijke verbintenis vanwege de drie kredietnemers dat het krediet zal aangewend worden voor bonafide (sic) activiteiten en doeleinden." Conclusie van het openbaar ministerie: "In plaats van het krediet gewoon af te keuren, heeft Artesia hier flagrant meegewerkt aan de creatie van fictieve omzet door eenvoudigweg aan de bestuurders van L&H het geld te geven om hun eigen omzet te financieren." Uit het onderzoek van het parket blijkt dat Artesia geen enkele melding maakte van deze persoonlijke lening van 20 miljoen dollar aan KPMG, noch van de borgstelling voor dit krediet. Volgens de bank is de reden hiervoor dat het om persoonlijke verbintenissen ging en niet om verbintenissen van de vennootschap zelf. Pour la petite histoire. Na het faillissement van L&H hield de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) twee inspectierondes bij Artesia. De drie kredietdossiers werden niet of nauwelijks onderzocht. De financiële waakhond nam wel een ander krediet onder de loep - 24 miljoen dollar die Gaston Bastiaens in juni 2000 kreeg - en stelde droogjes vast: "Dit dossier kan beschouwd worden als zijnde buitenmaats" en "de lacunes die eigen zijn aan het dossier L&H (zijn) over het algemeen niet terug te vinden in de andere dossiers van de bank". Deze nietszeggende inspectie bewijst hoe hoog de belangen liggen. Dexia is één van de vier grootbanken in dit land en is de verdachte met de diepste zakken. De bank legde geen provisies aan en hoopt aan vervolging te ontsnappen door erop te wijzen dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen pas in werking trad op 2 juli 1999. Het openbaar ministerie erkent dat gedeeltelijk. In haar requisitoir stelt deze echter dat Artesia wel vervolgd kan worden voor het derde krediet - goed voor 20 miljoen dollar - dat aanleiding gaf tot de valse omzetcijfers van het tweede kwartaal 1999 en de jaarrekening 1999. Geert Dauwe kan in elk geval vervolgd worden voor zijn betrokkenheid bij alle drie de kredieten. Spaarverlies, dat de belangen van diverse gedupeerde L&H-beleggers groepeert, zag de bui al hangen. Het beleggersplatform dagvaardde Dexia als burgerlijk aansprakelijke in de L&H-zaak. Als niet de bank zelf maar zijn medewerker Geert Dauwe wordt veroordeeld, hoopt het alsnog Dexia als werkgever voor die fouten aansprakelijk te stellen. Of hoe de gedupeerden bijna in een juridisch sprookje moeten geloven: die van de visser die denkt dat een kleine garnaal toch nog de grote vangst kan opleveren. Piet Depuydt