De existentiële angst die de Europese Unie in zijn greep heeft sinds de Franse en Nederlandse kiezers midden 2005 onomwonden het ontwerp van grondwet verwierpen, zal heel 2006 blijven nazinderen zonder tot een oplossing te leiden. Het duurde verscheidene maanden vooraleer de Europese leiders zich neerlegden bij de voor de hand liggende conclusie dat de constitutie dood is. Het zal verscheidene jaren duren vooraleer ze kunnen uitpakken met een overtuigende alternatieve visie op de toekomst van de Unie.
...

De existentiële angst die de Europese Unie in zijn greep heeft sinds de Franse en Nederlandse kiezers midden 2005 onomwonden het ontwerp van grondwet verwierpen, zal heel 2006 blijven nazinderen zonder tot een oplossing te leiden. Het duurde verscheidene maanden vooraleer de Europese leiders zich neerlegden bij de voor de hand liggende conclusie dat de constitutie dood is. Het zal verscheidene jaren duren vooraleer ze kunnen uitpakken met een overtuigende alternatieve visie op de toekomst van de Unie. De referendums deden veel meer dan alleen maar het verdrag de nek omwringen, ze zetten ook de motor uit die Europa deed voorttjoeken naar steeds verdere integratie. Een groot deel van 2006 zal worden gebruikt om te piekeren over mogelijke reparaties. Alvast één groot idee, dat door de Britse premier Tony Blair zwaar werd doorgedrukt tijdens zijn EU-voorzitterschap, is economische hervorming. Dat is een belangrijk punt, want de aanleiding tot de malaise in de EU wordt vooral gevormd door de povere economische prestaties. Indien Frankrijk geen tweecijferige werkloosheid had gekend en Nederland een even snelle groei had gekend als in de jaren negentig, zou geen van beide de grondwet verworpen hebben. Ontgoocheling over de euro, ruzie over de EU-begroting, de impopulariteit van heel wat nationale regeringen, ze hebben allemaal hun wortels in een decennium van trage groei en hoge werkloosheid. Het betreurenswaardige is dat er geen overeenstemming bestaat over hoe de dingen beter gemaakt kunnen worden. De Britten, Scandinaven en Centraal-Europeanen - het feit indachtig dat de Verenigde Staten het de jongste tijd een pak beter doen dan de EU - pleiten voor meer liberalisering, deregulering en concurrentie. Dat doet de Europese Commissie volgens haar zogenaamde Lissabon-agenda ook. Maar grote landen als Frankrijk en Duitsland zijn niet overtuigd, ook al hebben ze allebei acuut te lijden onder trage groei en hoge werkloosheid. Hun aangeboren instincten vertellen hen dat ze zich tegen de Lissabon-agenda moeten verzetten en in plaats daarvan de ondernemingen en werknemers moeten trachten te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Voorstanders van liberalisering hadden gehoopt dat de Duitse stembusgang van september 2005 de meerderheid zou geschonken hebben aan een hervormingsgezinde regering onder Angela Merkel, maar het verwarde resultaat van de verkiezingen blijkt nu hervormingen integendeel tegen te werken. Ook de Italiaanse verkiezingen in de lente van 2006 zullen in dat verband waarschijnlijk weinig soelaas bieden. De Verenigde Staten en een groot stuk van Azië zullen in 2006 eens te meer sneller groeien dan de meeste EU-landen, vooral vergeleken met de drie die zorgen voor zowat 70 % van de output in de eurozone, namelijk Duitsland, Frankrijk en Italië. De Europese Centrale Bank zal gehekeld worden omdat ze de interesten niet naar beneden haalt, het bijna komisch verkeerd benaamde 'Stabiliteits- en groeipact' van de eurozone zal nog meer onder druk komen te staan naarmate meer nationale begrotingstekorten toenemen tot boven de 3 % van het BBP, en er zal nog meer gemor zijn over de vraag of de euro van meet af aan wel zo'n goed idee was (in Italië zal dat zelfs een verkiezingsthema worden). Maar de echte oorzaken van Europa's economische tekortkomingen - overgereguleerde arbeids- en productmarkten, buitensporige overheidsuitgaven en te veel sociale bescherming - zullen niet worden aangepakt. Dan zijn er betere vooruitzichten voor een tweede mogelijke toekomstvisie voor de EU: haar eigen expansie. De uitbreiding naar de landen van Centraal- en Oost-Europa was een onmiskenbaar succes. Nu Roemenië en Bulgarije goed op koers zitten om er in 2008 bij te komen en de gesprekken over lidmaatschap met Turkije begonnen zijn, gaat de uitbreiding vermoedelijk nog voort. De landen van de westelijke Balkan staan op de eerste rij, maar ook andere als Oekraïne en Moldavië sluiten zich bij de rij wachtenden aan. Dat kan misschien een wereldvreemde voorspelling lijken, gezien sommige Franse en Nederlandse nee-stemmers juist protesteerden tegen een uitbreiding van de EU. Zowel de mythische 'Poolse loodgieter' als de mogelijke toetreding van Turkije vormden zware campagnethema's. Frankrijk heeft zich nu voorgenomen om elke toekomstige EU-uitbreiding te onderwerpen aan een referendum en andere landen zouden dat voorbeeld kunnen volgen. Bovendien wordt in Brussel algemeen aangenomen dat de EU enkel 'wijder' kan worden (meer leden krijgt) als ze tegelijk ook 'dieper' wordt (op nog meer integratie aanstuurt). Er bestaat een onuitgesproken vrees dat de almaar uitdijende groep anders zal verwateren tot een loutere vrijhandelszone. De weerstand tegen verdere uitbreiding zal in 2006 toenemen. Sommige eurocraten knarsetanden over de overhaaste beloften die aan Roemenië en Bulgarije werden gedaan, en nog meer onder hen denken - of hopen? - dat Turkije nooit zal toetreden. Het is echter voor niemand gemakkelijk om de natuurlijke stuwkracht om meer landen binnen te halen tegen te houden. Hoe kan om het even welke Europese leider de moedige oranje-revolutionairen van Oekraïne vertellen dat hun land nooit lid kan worden van de club? Niemand heeft Griekenland buiten gehouden in 1981, net zomin als iemand erin slaagde om in oktober jongstleden de opening van de gesprekken met Turkije te doen ontsporen. Weinig leiders zijn sterk genoeg om de politieke ellende van een nee-stem te riskeren - de laatste die dat deed was Charles de Gaulle, die in 1963 en in 1967 zijn veto uitsprak tegen Groot-Brittannië. Naast gewichtige kwesties zoals economische hervormingen en uitbreiding, zijn er ook een aantal meer routineuze - maar niettemin heikele - problemen waarmee de Europese Unie in 2006 zal worden geconfronteerd. De belangrijkste daarvan, zeker voor het grootste handelsblok van de wereld, is het aandringen op een succesvol resultaat van de Doharonde van wereldhandelsgesprekken. Dat zal leiden tot verdere harde hervormingen van de Europese Gemeenschappelijke Landbouwpolitiek (GLP) - en het is moeilijk in te denken dat de Franse president Jacques Chirac, een notoir verdediger van de landbouwers, dat amper een jaar voor de volgende Franse verkiezingen zal aanvaarden. Het landbouwbeleid zou overigens een van de grootste struikelblokken voor Doha kunnen zijn, zoals het in 1994 ook al bijna de Uruguayronde om zeep hielp. Maar er zal ook uit een andere hoek druk komen op de GLP, namelijk vanuit het aanhoudende dispuut over de Europese begroting. De begroting zorgde al voor een fikse rel in 2005. Omdat er in 2007 een nieuw budget moet worden ingediend, moet dat dispuut in 2006 bijgelegd worden. Dat zal echter niet van een leien dakje lopen. Chirac is vastbesloten om zich aan een vorige overeenkomst te houden die de uitgaven voor de GLP onaangeroerd liet. Blair is er al even hard op uit om de Britse korting op de bijdrage, die nog door Margaret Thatcher werd bedongen, veilig te stellen. Hij wil enkel over die korting onderhandelen als er een verdere hervorming van het landbouwbeleid komt. Als geen van beiden een krimp geeft, wordt het moeilijk om in 2006 eender welke overeenkomst over de begroting te bereiken. In dat geval kan het dat de EU aan het begin van 2007 zowel financieel als politiek niet weet welke kant ze op moet. Een treffend, zij het ontmoedigend lot voor een club die midden in de midlifecrisis zit. De auteur is redacteur Europa voor The Economist. John Peet