Geologisch bekeken hebben de Italianen nog wat respijt. De spanningen onder de Vesuvius lopen slechts langzaam op. Een uitbarsting van de vulkaan wordt niet meteen verwacht. Dat is anders met Italië: de cocktail van hoge schulden, de zwakke concurrentiekracht en bijna onbestaande groei maken van het land een vulkaan die op elk moment kan uitbarsten. Dat zou het hele eurogebied op zijn grondvesten doen daveren.
...

Geologisch bekeken hebben de Italianen nog wat respijt. De spanningen onder de Vesuvius lopen slechts langzaam op. Een uitbarsting van de vulkaan wordt niet meteen verwacht. Dat is anders met Italië: de cocktail van hoge schulden, de zwakke concurrentiekracht en bijna onbestaande groei maken van het land een vulkaan die op elk moment kan uitbarsten. Dat zou het hele eurogebied op zijn grondvesten doen daveren. De breuklijnen liggen er al decennia. De Italiaanse economie trappelt ter plaatse, het banksysteem staat op wankele benen en de politiek blijft even chaotisch als inefficiënt. Premier Matteo Renzi ondernam de voorbije jaren een verdienstelijke poging om de economie nieuw leven in te blazen, maar ook hij bleef grotendeels in de startblokken steken. Volgende week gooit hij misschien helemaal de handdoek in de ring. De Italianen mogen zich op 4 december uitspreken over de hervorming van de kieswet, wat op zich geen staatsgevaarlijk referendum is. Maar Renzi heeft het onzalige idee gehad zijn politieke lot te koppelen aan de uitslag. Als de Italianen nee stemmen, storten ze niet alleen Italië in een nieuw politiek avontuur, ze dreigen ook de Europese schuldencrisis weer op scherp te zetten. De Griekse crisis zal dan een kleine oefening zijn geweest. Die opgave kan het verzwakte Europa onmogelijk tot een goed einde brengen. De financiële markten trekken steeds harder aan de alarmbel. De risicopremies op Italiaans overheidspapier lopen op. En zelfs als een crisis wordt afgewend, blijft Italië een kruitvat. De cijfers spreken boekdelen. Het reële Italiaanse bruto binnenlands product (bbp) ligt op het niveau van begin deze eeuw en 10 procent onder het niveau van de eurozone. Het reële bbp per hoofd van de bevolking ligt nog altijd 9 procent lager dan in 2007. De investeringen zijn in elkaar geklapt, het land verliest continu marktaandeel op zijn exportmarkten en vooral de langdurige werkloosheid is gevoelig gestegen. De bevolking veroudert en de overheidsschuld bedraagt meer dan 130 procent van het bbp. Sinds vorig jaar kan het land zich optrekken aan een lichte conjuncturele opleving, maar bij de minste tegenslag stort dat kaartenhuisje opnieuw in. Italië heeft nauwelijks nog groeipotentieel doordat de arbeidsproductiviteit sinds het midden van de jaren negentig stagneert. De groei moet komen van extra kapitaal en extra arbeidskrachten, maar die bronnen drogen op. De onbestaande productiviteitsgroei verraadt de metaalmoeheid van de Italiaanse economie. Er stroomt nauwelijks kapitaal van de slechtere naar de betere bedrijven, want de middelen zitten gevangen in een netwerk van kleine familiale bedrijven, gefinancierd door lokale banken. Loonsubsidies en het gebrekkige onderwijs betonneren de stilstand helemaal. Italië dreigt de trein van de digitale economie te missen. Het mag misschien niet hardop worden gezegd, maar Italië kan een relatief sterke munt als de euro niet aan. Voordat het toetrad tot de euro, loste Italië zijn productiviteitsprobleem op door regelmatig zijn munt te devalueren, maar die vluchtweg is afgesloten. Na de toetreding tot de euro hielden eerst de ingedommelde financiële markten en later de Europese Centrale Bank (ECB) de Italiaanse economie de hand boven het hoofd, maar de gekochte tijd is verspild en raakt op. Als Italië niet snel zijn economie opschudt, zijn zijn dagen als euroland geteld. Ofwel kieperen de markten Italië eruit, ofwel zal de kiezer het keurslijf afwerpen. De vermolmde economie heeft ook de fundamenten van het Italiaanse banksysteem aangetast. De banken torsen voor 360 miljard euro slechte kredieten, waarvan er 200 miljard euro echt problematisch zijn. Dat is bijzonder veel, vooral omdat het eigen vermogen van het Italiaanse banksysteem slechts 225 miljard euro bedraagt. Er moet geen tekening bij dat de banksector vers kapitaal nodig heeft én een groot stuk van die probleemkredieten kwijt moet. Beide kwesties raken moeilijk opgelost, zeker als de regering-Renzi ontslag neemt. Als een bank omvalt en gered moet worden door de overheid, bemoeilijken de nieuwe Europese regels de reddingsoperatie. Normaal moeten de aandeelhouders en obligatiehouders de eerste verliezen dragen voordat de overheid met belastinggeld over de brug komt, maar in Italië hebben de banken heel wat bankaandelen en bankobligaties verkocht aan spaarders. Het zou politieke zelfmoord zijn, zowel voor een Italiaanse regering als voor Europa, om die spaarder te laten bloeden om de banken te redden. Zowel Europa als de Italiaanse regering moet de komende maanden dus heel creatief uit de hoek komen om een nieuwe bankencrisis te voorkomen. De rookpluimen uit de krater worden steeds dikker. DAAN KILLEMAESAls Italië niet snel zijn economie opschudt, zijn zijn dagen als euroland geteld.