De opkomende markten waren dit jaar voor het eerst goed voor meer dan de helft van het wereldwijde bruto binnenlands product (bbp) volgens koopkracht. In 1990 was dat amper een derde van een veel kleiner totaal.
...

De opkomende markten waren dit jaar voor het eerst goed voor meer dan de helft van het wereldwijde bruto binnenlands product (bbp) volgens koopkracht. In 1990 was dat amper een derde van een veel kleiner totaal. Tussen 2003 en 2011 is het aandeel van de opkomende economieën in de wereldwijde output met meer dan een procentpunt per jaar gestegen (zie grafiek 1). De opmerkelijk snelle groei die de wereld in die twee decennia te zien kreeg, vormde de grootste economische omwenteling in de moderne geschiedenis. En hij zal waarschijnlijk zijn gelijke nooit meer vinden. Tussen 1960 en het einde van de jaren negentig slaagde precies 30 procent van de ontwikkelingslanden erin de output per capita sneller te doen groeien dan die van de Verenigde Staten. Inhaalgroei wordt dat genoemd. Het ging om een futloze inhaalbeweging: de kloof versmalde met slechts 1,5 procent per jaar. Sinds het einde van de jaren negentig zijn de rollen omgekeerd. 73 procent van de ontwikkelingslanden slaagde erin de Verenigde Staten achter zich te laten. Ze deden dat met gemiddeld 3,3 procent per jaar. Dat was voor een deel toe te schrijven aan de groeivertraging in de VS, maar voor het grootste deel niet. De indrukwekkendste groei deed zich voor in vier van de grootste opkomende economieën: Brazilië, Rusland, India en China, de BRIC's. Die economieën zijn op verschillende wijze en om uiteenlopende redenen gegroeid. Hun omvang maakte hen speciaal -- in koopkracht waren ze de enige economieën van 1 biljoen dollar buiten de OESO -- en hetzelfde gold voor hun groeiritme (zie grafiek 2). Ze vormen vier van de grootste tien economieën ter wereld. De opmerkelijke groei heeft de wereldeconomie in vele opzichten omgevormd. De grondstoffenprijzen stegen pijlsnel en de kostprijs van arbeid en fabricaten daalde. Wereldwijd nam de armoede af. Gapende economische onevenwichten leidden tot een periode van financiële kwetsbaarheid en legden de basis voor de wereldwijde crisis. Een groeiende en schier onuitputtelijke arbeidsreserve speelde een rol in zowel de stagnatie van de lonen als de toenemende inkomensongelijkheid in de rijke landen. De verschuiving naar de opkomende economieën zet ongetwijfeld door, maar de meest tumultueuze fase lijkt af te lopen. De groeivoet is in alle BRIC's gedaald. Ook de aard van hun groei is aan het veranderen en die nieuwe modus zal minder rechtstreeks effect sorteren op de rest van de wereld. De waarschijnlijkheid dat de groei in andere opkomende economieën in de nabije toekomst een effect heeft dat vergelijkbaar is met dat van de BRIC's is bijzonder klein. Ze beschikken niet over hetzelfde inhaalpotentieel. Bovendien heeft hun groei de rest van de wereldeconomie zodanig veranderd dat de ontwrichtende effecten van een toekomstige opstoot getemperd worden. De ontluikende reuzen worden groter en talrijker, maar hun stappen doen de wereld niet meer zo daveren. Het BRIC-tijdperk verscheen aan het einde van een eeuw waarin de levensstandaarden wereldwijd opmerkelijk uit elkaar liepen. Naar het einde van de negentiende eeuw staken de VS China voorbij als grootste economie op de planeet. Tegen 1992 produceerden China en India -- waar 38 procent van de wereldbevolking woont -- slechts 7 procent van de wereldoutput, terwijl de rijke landen, die slechts 12 procent van de wereldbevolking uitmaakten, de helft van de wereldproductie voor hun rekening namen. In 1890 stond de gemiddelde Amerikaan er zes keer beter voor dan de doorsnee-Chinees of -Indiër. Tegen het begin van de jaren negentig was dat 25 keer. Wat volgde, was de convergentie in het kwadraat. China's zwenking naar liberalisering en de wereldmarkten gebeurde op een politiek, zakelijk en technologisch gunstig tijdstip. De rijke economieën hadden weinig moeite met de globalisering en de tekorten op de lopende rekeningen. Het Amerika van Bill Clinton boomde en was vol vertrouwen. Het maakte zich nauwelijks zorgen over de groei van de Chinese industrie of de offshoring van jobs naar India. Tegelijk kregen de technologie en de managementknowhow om ingewikkelde aanvoerketens in elkaar te zetten en in stand te houden stilaan vorm. Dat liet de ondernemingen toe hun activiteiten uit te breiden tussen landen onderling en over de oceanen heen. De kostprijs voor verzending en communicatie tuimelde naar beneden en dat leidde tot de 'tweede ontbundeling' van de globalisering, de eerste was het eenvoudige vermogen om goederen van één plaats te leveren aan consumenten op een andere plaats. Naarmate langere aanvoerketens plaatsen met een grote en snel groeiende actieve bevolking binnendrongen en met elkaar verbonden, kwamen er enorme hoeveelheden goedkope nieuwe arbeidskrachten vrij. De goedkope arbeid zwengelde de wereldhandel enorm aan. De export van goederen sprong van 16 procent van het wereld-bbp in het midden van de jaren negentig tot 27 procent in 2008. Het Chinese aandeel in de wereldexport liep op tot 11 procent en de handel vertegenwoordigde meer dan de helft van het bbp van het land. China is de eerste 'megatrader' die het wereldtoneel betrad sinds het hoogtij van het Britse imperium. De groei van de handel ging gepaard met een toenemende vraag naar basisproducten omdat China en de landen die het bevoorraadden energie en grondstoffen als ijzererts, koper en lood letterlijk opslorpten (zie grafiek 3). De prijzen schoten de hoogte in en schiepen een bonanza voor de opkomende grondstoffenproducenten. Dat droeg bij tot een omvangrijke boom die zowel Rusland en Brazilië als kleinere economieën, waaronder vele in Afrika, ten goede kwam. Van 1993 tot 2007 groeide China met gemiddeld 10,5 procent per jaar. India, dat zich minder op de handel kon verlaten, haalde een gemiddelde van 6,5 procent, meer dan twee keer de gemiddelde groeivoet van de VS. De financiële onevenwichten stapelden zich in heel de wereld op. Vanaf 1999 liepen de geavanceerde economieën een tekort op hun rekening-courant op, dat in 2006 piekte op 1,2 procent van het bbp van de rijke wereld. Het globale overschot op de lopende rekening van de opkomende economieën piekte in datzelfde jaar op 4,9 procent van het bbp. Deviezeninterventies maakten het dubbel zo moeilijk om de exportopstoot te managen. Na de financiële crisissen aan het einde van de jaren negentig begonnen vele opkomende economieën dollarreserves op te stapelen om zich in te dekken tegen grote uitgaande deviezenstromen. Daardoor konden de groeiende economieën hun wisselkoers onder het niveau houden. Op die manier kon de export ook relatief goedkoop blijven. China was erg gedreven in het ophopen van reserves. Het zit nu op een voorraad van 3,5 biljoen dollar, die het min of meer allemaal sinds 2000 vergaarde. Alles bij elkaar beschikken de BRIC's over reserves ter waarde van 4,6 biljoen dollar. Die opstapeling van reserves droeg bij tot een wereldwijd spaaroverschot en de lage intresten die daaruit volgden, moedigden de openbare en privékredietverlening in de rijke wereld sterk aan. Sommigen gaan ervan uit dat de muntmanipulatie tegelijk de consumptie in de opkomende markten smoorde, zodat hun export naar grote geavanceerde economieën als de VS niet gecompenseerd werd door een overeenstemmende toename van de consumptie van importgoederen. Niet alle gevolgen van de groei van de BRIC's kwamen meteen aan de oppervlakte. Sommige zullen we pas na tientallen jaren gewaarworden. Een grotere economie betekent een groter leger, maar ook bloeiende universiteiten. In 2030 heeft China wellicht 50 miljoen meer arbeidskrachten met een wetenschappelijk of ingenieursdiploma dan in 2010. De groei van de BRIC's heeft ook geleid tot een historische toename van de broeikasgassen. De uitstoot is nu drie keer zo groot als in 1997. Andere opkomende markten zullen de fakkel deels overnemen, maar het valt niet te verwachten dat ze een voldoende grote bijdrage kunnen leveren om een algemene vertraging van de wereldgroei te verhinderen (zie grafiek 4). Goldman Sachs heeft een lijst opgesteld van de 'Volgende 11', waarop onder meer Bangladesh, Indonesië, Mexico, Nigeria en Turkije staan. Er zijn redenen om aan te nemen dat die N11 niet op dezelfde schaal een impact hebben als de BRIC's. De eerste reden is dat die economieën kleiner zijn. De N11 hebben een bevolking van net iets meer dan 1,3 miljard, dat is half zoveel als de BRIC's. De N11 tellen amper meer inwoners dan India, het BRIC-land dat nog het grootste groeipotentieel heeft als het zich voldoende kan hervormen om meer mensen aan het werk te zetten. De tweede reden is dat de N11 rijker zijn dan destijds de BRIC's. Hoe groter de kloof is tussen de output per capita van een land en die van de technologische leider, des te sneller zijn economie kan groeien. Gewogen naar bevolking bedraagt de gemiddelde output per hoofd van de bevolking van de N11 al 14 procent van die van de Verenigde Staten. Toen de BRIC's begonnen aan hun economische klim was die naar bevolking gewogen output per hoofd van de bevolking net 7 procent van die van de VS. Het gaat niet om de N11 alleen. De wereld in zijn geheel bezit minder inhaalpotentieel dan vroeger. De volkrijkste landen zijn lang niet meer zo arm en de arme landen zijn lang niet meer zo volkrijk. Twee decennia van BRIC-geleide groei hebben ertoe geleid dat er veel minder mensen zijn die heel weinig verdienen. In 1993 leefde ongeveer de helft van de wereld beneden 5 procent van het Amerikaanse bbp per capita. In 2012 was het overeenstemmende cijfer 18 procent van het Amerikaanse bbp per hoofd van de bevolking. De derde reden waarom de prestatie van de BRIC's niet voor herhaling vatbaar is, is het succes van die prestatie. De wereldeconomie is groter dan voorheen. In reële termen is ze twee keer zo groot als in 1992. Dat betekent dat opkomende markten een grotere absolute toename van de output moeten neerzetten om een marginale economische boost op te wekken die vergelijkbaar is met die van de jaren negentig en het begin van de eeuw. Dezelfde analyse geldt voor de arbeidsmarkt. Toevoeging van arbeidskrachten zal voortaan de wereldeconomie moeilijker kunnen ontwrichten. Het miljard jobs dat tussen 2010 en 2040 toegevoegd werd, heeft de niet-agrarische werkgelegenheid met 115 procent opgestuwd. Als de wereld tussen 2010 en 2040 nog eens een miljard jobs zou creëren, dan zou dat neerkomen op een aangroei van de wereldwijde werkgelegenheid met slechts 51 procent. Indrukwekkend, maar al veel minder spectaculair. Sommige ontwikkelingseconomieën voegen de komende jaren honderden miljoenen nieuwe arbeidskrachten toe, maar een deel van die bijdrage wordt ongedaan gemaakt door de vergrijzing elders. De arbeidsgeschikte bevolking van China begon in 2012 te krimpen. India, dat er demografisch gunstiger voorstaat, heeft moeite om voldoende werkgelegenheid te creëren. Elders is een grote demografische boom op komst. In minder dan 40 jaar kan het bevolkingsaantal van bijvoorbeeld Nigeria dat van de Verenigde Staten overstijgen. De wijze waarop de wereldeconomie reageerde op de opgang van de BRIC's maakt haar ook minder kwetsbaar voor andere soortgelijke schokken. De markten hebben ingespeeld op de razendsnel toenemende vraag en prijzen. Ondernemingen en huishoudens besparen op hun bestedingen. Ondernemingen en overheden hebben halsoverkop nieuwe bronnen aangeboord, bijvoorbeeld de schalieolie- en gasboom in Noord-Amerika. Een tragere looppas van de reuzen van de opkomende markten veroorzaakt allicht ongerustheid, in de eerste plaats bij de inwoners van die landen waar de groei voor een hogere levensstandaard zorgde en waar de honger naar meer ook groot is. Die overgang hoeft niet pijnlijk te zijn. In China zal een tragere algemene groei voor de arbeiders aanvaardbaar voorkomen als het aandeel van de consumptie toeneemt tegenover dat van de investeringen. In India ziet het er niet zo fraai uit. Zwakkere omstandigheden kunnen druk zetten op het financiële systeem in opkomende economieën waarover de investeerders zich zorgen beginnen te maken. Als de centrale banken er niet in slagen de uitstroom van kapitaal te stelpen, dan kan tragere groei zelfs ontaarden in regelrechte inkrimping. Heel wat landen zullen ondervinden dat grondstoffen niet langer een steunpilaar vormen. Internationaal kan een lagere groei de wereldleiders aanzetten om meer samen te werken en te streven naar liberalisering. Het BRIC-tijdperk speelde zich af zonder belangrijke nieuwe vrijmaking van de handel, al is de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie een belangrijke mijlpaal. Omdat er zo'n gezonde groei van de handel was, was het trouwens moeilijk om de voordelen van verdere liberalisering in te zien. Een vertraging kan de aandacht weer richten op wereldwijde handelsgesprekken. Een overeenkomst over niet-tarifaire handelsbelemmeringen, vooral dan op het gebied van diensten, kan heel wat voordelen bieden. Het risico bestaat dat het allemaal de andere richting uitgaat. De rijke wereld is meer op zijn hoede voor de globalisering dan enkele decennia geleden en hij is meer geïnteresseerd in het behoud van de concurrentiekracht op de exportmarkt. Een eeuw geleden eindigde het laatste grote tijdperk van handelsintegratie in een oorlog en werd een tijdperk van economisch nationalisme en internationaal conflict ingeluid. De recente proliferatie van regionale handelsakkoorden kan de voorbode zijn van een zekere versplintering van de wereldeconomie. Vertraagde groei in de intussen groot geworden BRIC's kan leiden tot het soort van interne spanningen die landen van zich af zetten door externe strijd aan te gaan. Of de wereld al dan niet een opmerkelijk tijdperk van groei kan opbouwen, hangt grotendeels af van of de nieuwe reuzen het pad van de wereldwijde samenwerking opgaan, of struikelen, vallen en met de buitenwereld op de vuist gaan. THE ECONOMISTDe ontluikende reuzen worden groter en talrijker, maar hun stappen doen de wereld niet meer zo daveren. In 1914 eindigde het laatste grote tijdperk van handelsintegratie in een oorlog en begon een tijd van economisch nationalisme en internationaal conflict.