Het is een vreemde groene paradox. Op de jongste lentetop besliste de Europese Unie dat niet minder dan 20 % van ons energiegebruik 'alternatief' moet worden. Die ambitie moet de markt voor milieu-innovatie een forse schwung geven. Ook boeren, wetenschappers en industriëlen staan te popelen om dit nieuwe groene tijdperk in te stappen. De vraag van consumenten naar bio-ethanol, biodiesel, biogas, biochemie en zelfs natuurlijk hout zal stijgen.
...

Het is een vreemde groene paradox. Op de jongste lentetop besliste de Europese Unie dat niet minder dan 20 % van ons energiegebruik 'alternatief' moet worden. Die ambitie moet de markt voor milieu-innovatie een forse schwung geven. Ook boeren, wetenschappers en industriëlen staan te popelen om dit nieuwe groene tijdperk in te stappen. De vraag van consumenten naar bio-ethanol, biodiesel, biogas, biochemie en zelfs natuurlijk hout zal stijgen. Waarom trekt de EU die lijn dan niet consequent door? Niet alleen hernieuwbare energie staat voor een revolutie, ook 'hernieuwbare' voeding. Dat zijn voedingsgewassen die beter bestand zijn tegen ziekten, schimmels of insecticiden, die minder water nodig hebben, die een hogere voedingswaarde opleveren of die - als een heuse 'biofabriek' - stoffen aanmaken voor de farmacie en industrie. Er is heel wat expertise op dat gebied in Europa. In België maken bedrijven zoals Devgen daarmee furore op de beurs. Andere, zoals Cropdesign, werden verkocht aan internationale groepen. Maar Europa behandelt die alternatieve voeding stiefmoederlijk. Ze zet de rem op de commercialisering ervan, uit vrees voor een negatieve publieke opinie. Weinigen twijfelen er nog aan dat agrobiotech het uitzicht van moderne landbouw vergaand zal beïnvloeden, en dit niet alleen in het rijke, ontwikkelde Westen. Innovatieve technieken om op basis van DNA allerlei virale en bacteriële plantenziekten op te sporen of met behulp van micro-organismen de bodem vruchtbaarder te maken, zijn voor onderontwikkelde landbouwgebieden van vitaal belang. Over deze expertise - die de genetische code van planten ongemoeid laat - is er weinig discussie. Het schoentje knelt echter wanneer dat geheimschrift wel wordt gekraakt. Tussen 1998 en 2004 gold voor dergelijke nieuwe plantenvariëteiten een strikt moratorium op de Europese markt. Die ban werd drie jaar geleden opgeheven, maar diverse lidstaten bleven individueel hun vloek over genetisch gewijzigde organismen (GGO's) uitspreken. Met wettelijke wispelturigheid en praktische chaos tot gevolg. De Wereldhandelsorganisatie (WHO) tikte de Unie daarvoor recent op de vingers. Er woedt over genetisch gewijzigde voedingsbestanddelen een irreële discussie in Europa. Critici wijzen op de mogelijke risico's voor onze gezondheid, voorstanders stellen dat er tot nu toe geen enkel dergelijk gevaar is vastgesteld. In ieder geval is een exhaustieve risicoanalyse die vooraf alle gevaren voor de gezondheid uitsluit, in de praktijk onmogelijk. Europa moet dus knopen durven doorhakken. Het heeft weinig zin om in een dergelijk dossier te blijven palaveren over het geslacht der engelen. De realiteit is dat ondertussen drie van de grootste groei-economieën ter wereld resoluut het pad van de genetisch gewijzigde gewassen opgaan. Naast de VS, Canada en Zuid-Afrika, zijn het namelijk China, India en Brazilië, die hun ambities om in agrobiotech een leidende rol te spelen niet onder stoelen of banken schuiven. Sterker nog, het aandeel van ontwikkelingslanden en kleine boeren in deze nieuwe landbouwtak stijgt. Recente cijfers van het platform ISAAA stellen dat het areaal aan genetisch gewijzigde gewassen eind 2006 goed was voor 102 miljoen hectaren, verspreid over 22 landen. Niet minder dan 40 % van die teelgrond bevindt zich in ontwikkelingslanden en 90 % van de boeren die ervoor kiezen, zouden kleinschalige en minder welstellende landbouwers zijn. De verleiding is groot om hierin het bewijs te zien dat multinationals (zoals Bayer of Monsanto) deze kleine boeren onder druk zetten en hun areaal inpikken als wingewest. Organisaties zoals Greenpeace en Friends of the Earth hekelen het feit dat vooral commercieel goed in de markt liggende monoculturen zoals maïs, katoen, koolzaad en soja worden geteeld, en dat de genetische wijziging zich grotendeels beperkt tot meer weerstand tegen insecticiden en herbiciden (wat leidt tot meer omzet bij deze chemiegiganten). Het feit dat de boeren voor hun zaaigoed elk jaar opnieuw moeten aankloppen bij die industriële giganten, zou ook hun afhankelijkheid niet verminderen. Dat klopt. Maar dat de overheid in deze landen een niet te miskennen rol kan spelen om onderzoek en ontwikkeling van lokale gewassen aan te zwengelen, de introductie van GGO-teelt goed op te volgen en daarbij de belangen van de lokale boeren niet uit het oog te houden, is even fundamenteel. Hernieuwbare energie is niet hét wondermiddel om de perikelen rond CO2-uitstoot of klimaatopwarming aan te pakken. Zij maakt deel uit van een mix. Hetzelfde geldt voor genetisch gewijzigde voeding. Het is een onmisbaar stukje van de voedingspuzzel die dient om honger, armoede en de druk op het natuurlijke ecosysteem van armere landen te verlichten en innovatie aan te zwengelen. Wie zijn wij om dat aan Europa en de rest van de wereld te ontzeggen? Op www.trends.be kan u uw reactie kwijt op deze en andere intro's via de blog van de hoofdredacteur.piet depuydt hoofdredacteur