Minister van Financiën en vice-premier Philippe Maystadt maakt moeilijke tijden door. Het rijtje dossiers dat in zijn gezicht dreigt te ontploffen, begint er angstaanjagend uit te zien. De swaptransacties waardoor vele tientallen miljarden verloren gingen , de omstreden beboeting van de Kredietbank en andere financiële instellingen en de eindejaarstransacties waarmee de cijfers over de Belgische staatsschuld werden opgefleurd, zijn daarbij de absolute blikvangers. Cynisch zou men kunnen stellen dat de vele andere schandalen die ons land en zijn politieke bovenlaag vandaag treffen, voorkomen dat Maystadt nog méér in de vuurlinie komt liggen.
...

Minister van Financiën en vice-premier Philippe Maystadt maakt moeilijke tijden door. Het rijtje dossiers dat in zijn gezicht dreigt te ontploffen, begint er angstaanjagend uit te zien. De swaptransacties waardoor vele tientallen miljarden verloren gingen , de omstreden beboeting van de Kredietbank en andere financiële instellingen en de eindejaarstransacties waarmee de cijfers over de Belgische staatsschuld werden opgefleurd, zijn daarbij de absolute blikvangers. Cynisch zou men kunnen stellen dat de vele andere schandalen die ons land en zijn politieke bovenlaag vandaag treffen, voorkomen dat Maystadt nog méér in de vuurlinie komt liggen. Binnen de regering- Dehaene neemt de kritiek op Philippe Maystadt toe. De grootste gemene deler in wat men de minister van Financiën verwijt, is dat zijn financiële pirouettes de sanering van de publieke financiën zoniet in gevaar, dan toch zeker in diskrediet brengen. In deze context mag ook niet worden vergeten dat Maystadt zich openlijk keerde tegen Charles-Ferdinand Nothomb, toen deze vorig jaar de nieuwe PSC-voorzitter werd. Het is evident dat de redding van Maystadts vel als minister niet direct tot de topprioriteiten van voorzitter Nothomb behoort. De intensieve lobbying die zowel vanuit het kabinet van de minister als vanuit de directe omgeving van Thesaurie-topman Grégoire Brouhns wordt ondernomen in de richting van de Financial Times en vooral The Wall Street Journal zegt veel over de mate waarin Maystadt en zijn medewerkers zich vandaag in het nauw voelen gedrukt. Beide Engelstalige kranten gingen de voorbije weken op een voor ons land en vooral voor zijn minister van Financiën weinig vleiende manier in op de transacties die de Thesaurie tussen 30 december 1996 en 2 januari 1997 had opgezet. Soortgelijke berichtgeving in een Vlaams blad als Trends kan men nog trachten te bedelven onder het politieke gewicht van ignorering, maar met internationaal verspreide media als de Financial Times en The Wall Street Journal ligt dat natuurlijk totaal anders. Zowel Philippe Maystadt als Grégoire Brouhns hebben hun ambities voor een internationale carrière nooit onder stoelen of banken gestoken. De huidige berichten over allerhande mistoestanden in en rond het ministerie van Financiën fleuren het internationaal visitekaartje van Maystadt en Brouhns niet bepaald op. Vooral The Wall Street Journal is geenszins onder de indruk van de verdediging die Maystadt en Brouhns aandragen in het dossier van de eindejaarsconstructies (zie Tribune, blz. 94). Wat wel klopt in die verdediging is dat zowat alle andere landen die per se tot de Europese Monetaire Unie (EMU) willen toetreden, vandaag hun cijfers inzake publieke financiën aan het boetseren zijn. België, Italië en Spanje lijken tot de landen te behoren die ter zake het verst gaan. Maar dit is helemaal niet naar de zin van de orthodoxe Duitsers en zeker niet van de Nederlanders. Onze noorderburen nemen momenteel het voorzitterschap van de Europese Unie waar. Ze doen dat op de voor hen karakteristieke manier : met die typisch Nederlandse mengeling van diplomatieke voorkomendheid én grote doortastendheid. Het zal allicht ook te maken hebben met hun zin voor puritanisme iets wat ze van Calvijn hebben geërfd , maar de Nederlanders lieten al herhaaldelijk merken dat het cijfergesjoemel rond de Maastricht-normen hen steeds meer tegen de borst stoot. De Nederlandse minister van Financiën Gerrit Zalm had het in deze context onlangs over "hysterisch gedrag" vanwege sommige landen. Ook de Nederlandse minister-president liet zich al behoorlijk genuanceerd uit over de wenselijkheid van een EMU indien dit moet tegen een achtergrond van de meest gekke cijferspelletjes (zie ook blz. 26). Indien de EMU niet op een ernstige manier tot stand kan komen, dan liever helemaal geen EMU. Dat is wat Kok nog net niet publiekelijk zegt. Tegen deze achtergrond zijn er meer en meer indicaties dat de EMU wel eens zou kunnen worden uitgesteld. Niet alleen de Nederlanders, ook de Duitsers zouden hiervoor wel eens sterk te vinden kunnen zijn. Een dergelijk uitstel zou kanselier Helmut Kohl en minister van Financiën Theo Waigel immers extra ademruimte geven in de Duitse verkiezingsstrijd naar 1998 toe. Bij onze oosterburen blijft de publieke opinie immers ongemeen fel anti-EMU (zie ook blz. 20). Net zoals de Nederlanders hun sterke gulden niet zomaar voor één of andere euro willen inruilen, zien de Duitsers de teloorgang van hun oerdegelijke mark helemaal niet zitten. Een ander belangrijk voordeel van een vertragingsstrategie is dat landen die nu al enkele jaren fel "snijden en knippen" in begrotings- en schuldcijfers dan een sterk verhoogd risico lopen om door de mand te vallen. Twee of drie jaar een aantal dingen verdoezelen of wegtoveren, kan mits enige handigheid best lukken, maar zoiets vijf jaar of langer volhouden, lijkt wel erg utopisch.Johan Van Overtveldt