Het Frans kent geen exact equivalent voor Mittelstand, maar de Fransen kennen het woord goed genoeg. Nu de eurocrisis het vertrouwen en het succes van de grote nationale kampioenen in Frankrijk aantast, wordt gekeken naar het voorbeeld van de Duitse middelgrote, meestal familiale ondernemingen als een manier om de Franse groei, werkgelegenheid en export te stimuleren. Mittelstand is een ambitie geworden.
...

Het Frans kent geen exact equivalent voor Mittelstand, maar de Fransen kennen het woord goed genoeg. Nu de eurocrisis het vertrouwen en het succes van de grote nationale kampioenen in Frankrijk aantast, wordt gekeken naar het voorbeeld van de Duitse middelgrote, meestal familiale ondernemingen als een manier om de Franse groei, werkgelegenheid en export te stimuleren. Mittelstand is een ambitie geworden. De regering van François Hollande kondigde vorige week de oprichting aan van een nieuwe bank die publiek en privégeld in de richting van middelgrote ondernemingen moet doen vloeien. De Banque Publique d'Investissement (BPI) lijkt erg veel op de eerbiedwaardige Duitse KfW (Kreditanstalt für Wiederaufbau), die na 1945 werd opgericht om de wederopbouw te begeleiden. De Fransen zijn ervan overtuigd dat het Duitse succes er is gekomen omdat de bedrijven zich in één niche specialiseren en bijzonder efficiënt werken. De grote Franse ondernemingen worden sinds de eeuwwisseling constant gepasseerd in consumptiesectoren als mode, voeding en dranken, en in hightechbranches als de nucleaire en de lucht- en ruimtevaartsector. Het duurde tot 2008 vooraleer Frankrijk moeite deed om een naam te plakken op middelgrote bedrijven: ETI (entreprises de taille intermédiaire). Ze hebben tussen 250 en 5000 werknemers en een omzet die kan oplopen tot 1,5 miljard euro. Volgens een studie van de zakelijkedienstverlener Ernst & Young telt Duitsland dubbel zoveel van zulke firma's als Frankrijk. Volgens Ludwig Erhard, de minister van Economie die het naoorlogse Wirtschaftswunder in West-Duitsland mee vorm- gaf, draait het bij de Mittelstand om meer dan cijfers alleen. "Het is vooral een bepaalde geestesgesteldheid en houding", schreef hij in 1956. Nicolas Sarkozy trachtte tijdens zijn presidentschap de Fransen een soortgelijke houding aan te praten. Zijn idee was een door de staat gesteund fonds, het Fonds Stratégique d'Investissement of FSI, op te richten om ondernemingen te ondersteunen. Dat fonds wordt nu ondergebracht in de nieuwe BPI. Tot dusver heeft het 7 miljard euro geïnvesteerd en samen met privé-investeerders minderheidsparticipaties genomen in 1800 bedrijven. Vorige week publiceerde het fonds een studie waarin nagegaan werd hoe het komt dat de middelgrote ondernemingen in Frankrijk het moeilijker hebben dan de Duitse. Een deel van het antwoord is te vinden in de geschiedenis. De term Mittelstand werd vooral na de Tweede Wereldoorlog een begrip. In 1945 begon Duitsland aan de wederopbouw met een afkeer voor big business, die zich bezoedeld had door aan te leunen bij het naziregime. De opdeling van het land gaf bovendien ruggensteun aan kleinere, regionale firma's. Siemens en Daimler, grote firma's die uit Berlijn verdreven werden, bliezen nieuw leven in Beieren en Baden-Württemberg. Tegelijk sloeg Frankrijk de tegenovergestelde richting in. Privéfirma's lieten de basisindustrieën en de sector van de kapitaalgoederen over aan Duitsland en begonnen met Italië te concurreren in consumptiegoederen, terwijl de staat nationale voortrekkers opbouwde in toen ontluikende sectoren zoals kernenergie en de lucht- en ruimtevaart. Ook de klassiek sterkere rol van het centraal gezag in Frankrijk speelt een rol. Guy Maugis, de voorzitter van de Frans-Duitse kamer van koophandel, wijst erop dat als Frankrijk iets wil doen aan de productiviteit, het begint met beslissingen die vanuit Parijs worden opgelegd. De nieuwe bank is daarvan een treffend voorbeeld. De Duitse Mittelstand daarentegen zoekt eerst steun bij de regionale regering en banken. Studies hebben aangetoond dat lokale verbondenheid en nauwe banden met die banken cruciale factoren zijn in hun langetermijnsucces. Jean-Daniel Weisz, een van de auteurs van het rapport van het FSI, vergelijkt de wijze waarop Duitse firma's en hun Franse tegenhangers opereren. Franse middelgrote ondernemingen, zegt hij, hebben twee keer meer managementniveaus tussen de top en de werkvloer. Duitse firma's besteden ook meer aandacht aan hun bevoorradingsketens. Ze nemen bijvoorbeeld managers van hun leveranciers mee op handelsreizen naar China. Franse ondernemingen doen dat zelden. Duitse bedrijven vertonen de neiging om specialisten te promoten, technici die een antwoord kunnen bieden op precieze vragen. Franse firma's vertrouwen op een elitair kader van algemene ingenieurs. Sommige van die Duitse managementpraktijken kunnen ongetwijfeld gekopieerd worden. Er kunnen managementlagen verwijderd worden, andere mensen bevorderd. Maar de geschiedenis en de beleidstradities verdwijnen niet zomaar. Frankrijk tracht nu innovatie aan te wakkeren door publiek-private partnerships te vormen. Daar is in Duitsland geen sprake van. De Mittelstand geeft de voorkeur aan gestage groei met eigen geld, liever dan leningen aan te gaan bij de staat. THE ECONOMIST