Natuurlijk is het een schande dat een fiscaal onderzoek bijna twee decennia aansleept zonder dat de rechter een definitief oordeel velt. Maar niet alleen de schatkist mist daardoor inkomsten, ook de beschuldigde ondernemers verliezen veel geld door imagoschade en oplopende advocatenkosten. En voor de onschuldige belastingplichtigen is de huidige onzekerheid in het fraudedossier van de forfaitaire buitenlandse belasting (FBB) al helemaal een nachtmerrie.
...

Natuurlijk is het een schande dat een fiscaal onderzoek bijna twee decennia aansleept zonder dat de rechter een definitief oordeel velt. Maar niet alleen de schatkist mist daardoor inkomsten, ook de beschuldigde ondernemers verliezen veel geld door imagoschade en oplopende advocatenkosten. En voor de onschuldige belastingplichtigen is de huidige onzekerheid in het fraudedossier van de forfaitaire buitenlandse belasting (FBB) al helemaal een nachtmerrie. Ondertussen zijn de mogelijke achterpoortjes van de fiscale maatregel al lang gesloten. De fiscus zou beter deze oude koe met rust te laten en zijn energie steken in de strijd tegen de huidige fraudecircuits, zoals btw-carrousels of bedrieglijke faillissementen. De kans dat de fiscus in het FBB-dossier nog zijn slag thuishaalt, is immers gering. Wettelijk gezien, mochten de bedrijven, die in het buitenland roerende voorheffing hadden betaald, gebruikmaken van de FBB om dubbele belastingen te vermijden. Voor elk dividend uit het buitenland kreeg de vennootschap een forfaitaire aftrek van 15 %. De fiscus ging er namelijk vanuit dat voor deze intresten al een bronheffing was betaald. Maar als het geld uit een fiscaal paradijs kwam, konden de ondernemingen heel wat belastingen besparen. In het begin maakten enkel de financiële instellingen gebruik van dit voordeel. Maar in de jaren tachtig begonnen de banken deze techniek als commercieel product aan hun clientèle te verkopen. In die periode heerste nog een gedoogbeleid voor agressieve constructies. Belastingplichtigen konden zonder al te veel problemen de grenzen van de minst belastbare weg opzoeken. Na de financiële schandalen, zoals Enron en Lernout & Hauspie, is de mentaliteit echter volledig veranderd. Tegenwoordig bestaat een nultolerantie tegen fiscale fraude. Eigenlijk is het een oud zeer. De regering maakt snel een wet, maar daar zitten vaak gaten in. Pas als de slimme jongens daar dan massaal gebruik van gaan maken, treedt de overheid op. Maar dan is het kalf al lang verdronken. Zo zijn telkens de bonafide ondernemers het slachtoffer. In die zin vertoont het FBB-dossier veel gelijkenissen met de kasgeldvennootschappen. Op zich is niets mis met deze rechtsvorm. Alleen zetten ook hier malafide personen fictieve constructies op in het verre buitenland, zoals Nigeria, Uruguay of Zuid-Korea. Tegen deze misbruiken moet de fiscus streng optreden. Maar daar mogen klassieke transacties niet de dupe van worden. Vele bedrijfsleiders hebben immers te goeder trouw het advies van hun adviseurs gevolgd. Toch kunnen personen, die alleen maar zijdelings bij het dossier betrokken zijn, in België gestraft worden. Gelukkig loopt tegen deze al te strenge wetgeving een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat ons land naar alle verwachting zal veroordelen. Ten slotte bieden de vrijwillige overeenkomsten met de fiscus - de zogenaamde rulings - nu de mogelijkheid om op voorhand de fiscale behandeling van je transacties te kennen. Zo krijgt het bedrijfsleven rechtszekerheid, wat hét fundament voor de economische ontwikkeling in een rechtstaat is. (T)Door Eric Pompen