De auteur is fiscaal advocaat.
...

De auteur is fiscaal advocaat.Er bestaat nog weinig concrete informatie over de nieuwe fiscale regularisatie die de regering-Verhofstadt heeft aangekondigd voor 2006. Niettemin kunnen we wel enkele krijtlijnen van de nieuwe regularisatieprocedure uittekenen. Zeker niet. Momenteel heerst de grootst mogelijke onzekerheid voor wie fiscale vergrijpen uit het verleden wil rechtzetten. Een belastingcontroleur kan op vrij willekeurige wijze beslissen over het aantal jaren dat moet worden belast (drie of vijf), over het tarief van de boete of belastingverhoging (meestal tussen 10 en 50 %) en over de eventuele neerlegging van een strafklacht. Dat geeft aanleiding tot onrechtvaardige toestanden. Voor hetzelfde vergrijp wordt de ene fraudeur veel zwaarder beboet dan de andere. Overigens is die ongeregeldheid niet alleen een probleem voor de belastingplichtige, maar ook voor de controlediensten. Als zij bepaalde betaalbare akkoorden voor het verleden afsluiten, begeven zij zich namelijk soms in de onwettelijkheid of worden ze gestigmatiseerd wegens te toegeeflijk (om nog maar te zwijgen over eventuele verdachtmakingen over omkoperij). Het is inderdaad de vraag of de tarieven die bij de fiscale regularisatie zullen worden gehanteerd, het vertrouwen schenden van de EBA-indiener die vorig jaar een 'laatste kans' kreeg. Daarin schuilt wel een onrechtvaardigheid. Er zou voor de regularisatie een tarief van 15 % worden gehanteerd in een aanloopperiode. Dat is het tarief van de roerende voorheffing voor interesten. Op het eerste gezicht is dat duurder dan de EBA-tarieven van 6 of 9 %. Maar schijn bedriegt. Wie in 2004 een correcte EBA heeft ingediend, moest 6 of 9 % betalen op alle verdoken inkomsten uit het verleden, ongeacht de termijn waarover het ging. Terwijl bij de komende fiscale regularisatie alleen termijnen van drie of vijf jaar gelden. Dus wie vijftien jaar lang roerende inkomsten in Luxemburg heeft gehad, is financieel beter af met een fiscale regularisatie in 2006 in plaats van met een fiscale amnestie in 2004. Dat financiële nadeel van de EBA weegt niet op tegen de voordelen ervan (volledige fiscale en strafrechtelijke amnestie). In onze grondwet staat dat er geen privileges mogen worden toegekend en dat belastingen volgens de wet moeten worden geheven. Een regularisatieprocedure hoeft daaraan geen afbreuk te doen. De bestaande aanslagtermijnen en belastingvoeten moeten worden geëerbiedigd. Onze regering zegt zich te inspireren op de Nederlandse regeling. In dat geval zullen de oude beroepsinkomsten en nalatenschappen, als ze verjaard zijn (na vijf jaar voor beroepsinkomsten en na tien jaar voor successierechten), niet meer worden belast bij een fiscale regularisatie. Dat kan ook bijna niet anders, want iemand die niet regulariseert, kan zich ook beroepen op verjaring. De EBA-wet legde een boete van 100 % (van de ontdoken belasting) op voor wie niet deelnam aan de EBA maar er wel voor in aanmerking kwam. De draagwijdte van deze boete mag niet overroepen worden. Heel wat belastingplichtigen kwamen namelijk niet in aanmerking voor een EBA, omdat het ging over niet-aangegeven nalatenschappen, beroepsinkomsten van 2002, 2003 en 2004, ontdoken vennootschapsbelasting enzovoort. Bijna nog belangrijker is dat deze boete evenmin van toepassing kon zijn voor belastingen die al verjaard waren (lees: waarvoor de aanslag- of verjaringstermijnen verstreken zijn op het ogenblik dat de fiscus de verdoken inkomsten ontdekt). Ten slotte is de boete ook niet van toepassing op inkomsten van 2004, 2005 en later. Kortom, de boete is een maatregel met zeer beperkte gevolgen. Ook in het EBA-jaar was al bekend dat een spontane regularisatie tegen lagere tarieven voor belastingverhogingen of boetes nog steeds mogelijk zou zijn na de EBA. Dat kunt u niet regelen met de federale overheid. Overleg met de gewesten zal noodzakelijk zijn om een gelijkaardige regeling in Vlaanderen in te voeren. Overigens weet de Vlaamse regering wellicht dat wie vandaag een aangifte van successierechten spontaan regulariseert, ook een zeer lage boete opgelegd krijgt en eigenlijk niet met een strafklacht wordt bedacht. Een decretaal initiatief lijkt ons minder pertinent dan voor roerende inkomsten op kapitalen in het buitenland. Die twee dingen hebben weinig met elkaar te maken. Wij zijn eerder pessimistisch over het vooropgestelde cijfer, maar het is niet makkelijk te voorspellen. Ook bij de EBA is gebleken dat veel belastingplichtigen pas op de valreep beslisten om een aangifte in te dienen. De grootste opbrengst is gerealiseerd in de laatste twee maanden van 2004. Dat doet vermoeden dat er heel wat twijfelaars zijn geweest en vermoedelijk nog zijn. Overigens komt het einde van de overgangsperiode van de spaarrichtlijn steeds dichterbij. Zij die niet spontaan komaf maken met hun buitenlandse beleggingen, beginnen te vrezen dat ze met een onbruikbaar vermogen zullen blijven zitten. Ook de evolutie van de antiwitwaswetgeving (strikte regels voor contante betalingen, strengere informatieverplichtingen, meldingsplicht voor Belgische bankiers, afschaffing van toondereffecten...) draagt bij tot dat klimaat. Dat is eerder een schijnprobleem. Als de belastingambtenaren fiscale fraude vaststellen, moeten ze aangifte te doen bij het parket. In de praktijk gebeurt dat zelden of nooit in gevallen waar een regeling wordt getroffen (al dan niet na het betrappen van de fraudeur). Als in de voorziene inkeerregeling de ambtenaren geen strafrechtelijke aangifte meer moeten doen, bestaat er dus geen onzekerheid meer over strafrechtelijke vervolging. De feiten zullen bijna nooit het parket ter ore komen (zoals overigens de meeste feiten van fiscale fraude). Een gerechtelijke vervolging is dus uitgesloten, tenzij een jaloerse echtgenoot of nijdige werknemer klacht neerlegt, maar dat is altijd een risico. Bart CoopmanAangifte bij het parket gebeurt zelden of nooit wanneer de belastingplichtige een regeling treft met de controleur.