(*) OECD Economics Department Working Papers Bo. 954, Bringing Belgian Public Finances to a Sustainable Path, 2012
...

(*) OECD Economics Department Working Papers Bo. 954, Bringing Belgian Public Finances to a Sustainable Path, 2012 Amper 0,35 procent van het bbp, of 1,3 miljard euro. Dat zijn de besparingen aan de kant van de uitgaven in de begrotingsopmaak 2013. Goed voor 38 procent van de saneringsoperatie van 3,4 miljard euro. Indrukwekkend is dat niet. Zeker niet wanneer we dat cijfer afzetten tegen de totale primaire uitgaven (uitgaven zonder rentelasten) van de overheid, die ongeveer 49 procent van het bbp bedragen. De primaire uitgaven schommelen al sinds 2009 rond die 49 procent van het bbp of 185 miljard euro (zie grafiek Primaire uitgaven in procent van bbp). De besparingsoperatie van de regering-Di Rupo verandert daar amper iets aan. We moeten al teruggaan tot 2007 om primaire uitgaven lager dan 45 procent van het bbp terug te vinden. Het gevolg is dat het primaire saldo, dat zijn de ontvangsten min de uitgaven min de rentelasten, jarenlang een duik nam. Van 5,7 procent van het bbp in 2002 tot een negatief primair saldo in 2009. Dit jaar is het voor het eerst opnieuw positief (+0,4 %). De verslechtering van het primaire overschot is des te opvallender als we weten dat de lage rente aan de overheid de kansen gegeven heeft om extra buffers aan te leggen. Maar de opeenvolgende regeringen -Verhofstadt, -Leterme en -Van Rompuy hebben die rentemeevallers royaal opgesoupeerd. Eigenlijk zit er niets anders op dan diep het mes te zetten in de uitgaven, maar dat weigert de regering-Di Rupo te doen. Ze draagt de erfzonde van de ontspoorde uitgaven met zich. Volgens een studie van de OESO (*) brengt dit beleid de leefbaarheid van de Belgische overheidsfinanciën op lange termijn in gevaar. De ontsporing van de primaire uitgaven is immers niet alleen een gevolg van de financiële crisis (steun aan de banken en hogere uitkeringen door een stijgende werkloosheid). De OESO-studie geeft nog andere oorzaken aan. Sinds 1995 is bijvoorbeeld de overheidstewerkstelling op jaarbasis met 1 procent toegenomen. Bovendien kon het overheidspersoneel rekenen op royale loonstijgingen, vooral door de automatische indexering. Het resultaat is dat de loonmassa van de publieke sector vandaag 13 procent van het bbp bedraagt. Dat is evenveel als aan het begin van de jaren tachtig, toen de overheid met zeer grote overheidstekorten kampte. Een ander pijnpunt dat de OESO aanhaalt, zijn de uitgaven in de sociale zekerheid. Die zijn gestegen van 22 procent van het bbp naar 25 procent in 2012. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) wordt steeds minder gefinancierd door sociale bijdragen en moet dus op zoek naar andere inkomsten. Tien jaar geleden waren de sociale bijdragen voldoende om 75 procent van de RSZ-uitgaven te dragen, ondertussen nadert de grens van 60 procent. De overheid moet in toenemende mate op zoek naar andere RSZ-inkomsten: alternatieve financiering (uit btw en accijnzen vooral) en bijdragen uit de algemene begroting. De alternatieve financiering van de sociale zekerheid blijft ook de komende jaren toenemen van 15,6 miljard euro dit jaar naar 17,7 miljard in 2014. De alternatieve financiering bedraagt ondertussen 15 procent van de totale RSZ-inkomsten. Nog eens 20 procent komt uit allerlei andere structurele overheidssubsidies. Daarnaast worden nog eens meer dan 900 miljoen euro (2013) en 1,3 miljard (2014) doorgesluisd van de algemene middelen naar de sociale zekerheid. Een vestzakbroekzakoperatie om de indruk te wekken dat de sociale zekerheid in evenwicht is, een aloude eis van de PS. Als een overheid die boven haar stand leeft niet bereid is de hand op de knip te houden, dan rest er weinig anders dan nieuwe belastingen op te leggen en voor eenmalige inkomsten te zorgen. En dat is wat de regering-Di Rupo ook deze keer consequent doet. Tegenover de 1,3 miljard euro besparingen in de uitgaven staan voor 1,3 miljard aan eenmalige operaties (zoals fiscale regularisatie) en zowat 1 miljard aan nieuwe belastingen. Vooral de verhoging van de roerende voorheffing tot 25 procent (weliswaar niet voor spaarboekjes) valt op, net als de verdere uitholling van de notionele-intrestaftrek (139 miljoen euro). De regering maakt wel 400 miljoen vrij voor lastenverlagingen, maar dat bedrag is zeer klein in het licht van onze loonkostenhandicap, die oploopt tot 6,8 miljard euro. De begroting voor 2013 bevestigt de voorspelling van de Europese Commissie. België schuift op van de derde naar de tweede plaats in de top van landen met de hoogste belastingdruk. Met een belastingdruk van 45,6 procent in 2013 moet België enkel nog Denemarken (47,6 %) laten voorgaan. Zweden is nu de nieuwe derde. Niet alleen voor arbeid ligt de Belgische impliciete belastingvoet (de fiscale druk in percentage van de totale verloning) boven het Europese gemiddelde, dat geldt ook voor consumptie en kapitaal (zie grafiek Arbeid zwaar belast, de rest ook). De kans dat dit alles niet volstaat, is bovendien reëel. Volgend jaar wacht een nieuwe belangrijke operatie. Om het begrotingsdeficit terug te brengen tot 1,1 procent van het bbp in 2014 is nog eens een gezamenlijke inspanning van alle overheden van 8 miljard euro nodig. Tegen 2015 - maar dat is normaliter een opdracht voor de volgende regering - moet er een begroting in evenwicht zijn. Dat de regering van het afbouwen van de uitgaven geen prioriteit maakt, is een ernstig probleem nu de kosten van de vergrijzing zich meer en meer laten voelen. Voor de OESO is het duidelijk: wanneer in 2015 een begrotingsevenwicht - of liever nog een overschot van 0,2 procent van het bbp - wordt bereikt, moet dit twintig jaar lang worden volgehouden. De OESO heeft verschillende scenario's uitgedokterd die aantonen welke inspanningen nodig zijn om de vergrijzing betaalbaar te houden en de overheidsschuld te doen afnemen. Een substantieel primair overschot opbouwen is daarbij van prioritair belang. België moet volgens de OESO snel naar een primair surplus van zo'n 4 tot 5 procent van het bbp klimmen om de vergrijzing betaalbaar te houden. Een doelstelling die het beste al gerealiseerd wordt in 2015. Dat betekent concreet dat de primaire uitgaven moeten worden teruggebracht naar het niveau van tien jaar geleden: 44 procent van het bbp. Dat komt overeen met een saneringsoperatie van 18,5 miljard euro. Een titanenwerk in vergelijking met wat de regering-Di Rupo tot nu heeft moeten doen. JOHAN VAN OVERTVELDT EN ALAIN MOUTON