11 juli 2002. Vlaanderen viert feest. Aanleiding voor minister-president Patrick Dewael ( VLD) om uit te pakken met een Vlaams Manifest. Daarin zet hij de agenda voor een nieuwe staatshervorming. Die moet Vlaanderen bijkomende bevoegdheden bezorgen inzake sociaal-economisch beleid, mobiliteit, fiscaliteit en sociale zekerheid.
...

11 juli 2002. Vlaanderen viert feest. Aanleiding voor minister-president Patrick Dewael ( VLD) om uit te pakken met een Vlaams Manifest. Daarin zet hij de agenda voor een nieuwe staatshervorming. Die moet Vlaanderen bijkomende bevoegdheden bezorgen inzake sociaal-economisch beleid, mobiliteit, fiscaliteit en sociale zekerheid. Het Manifest is tekenend voor de schizofrenie waarin de Vlaamse regering nog te veel gevat zit: enerzijds regering, anderzijds drukkingsgroep. Dewael kreeg van Franstalige zijde trouwens meteen - en zeer voorspelbaar - nul op het rekwest. Franstalig België is geen vragende partij, zeker niet sinds met de Lambermont-akkoorden de extra miljarden voor het Franstalig onderwijs binnen zijn. De verzuchtingen van Dewael kunnen voor de Franstalige politieke klasse niet echt een verrassing zijn. Ze hernemen grotendeels de resoluties van het Vlaams Parlement van 1999, resoluties die een bijna-consensus genoten en waar alleszins de VLD pal achterstond. Politieke forcing. De hamvraag in het dossier van de staatshervorming is, wat Vlaanderen betreft, al lang niet meer wat er moet gebeuren, maar wel hoe. Concreet gezegd: hoe kunnen we de Franstaligen over de brug krijgen? De ervaring van de voorbije legislatuur leert dat vriendelijke palavers in één of andere parlementaire commissie geen zoden aan de dijk brengen. Er zal politieke forcing moeten worden gevoerd bij de komende regeringsvorming. Een nieuwe staatshervorming maakt natuurlijk op zich geen paradijs van Vlaanderen. De toekomstige dynamiek zal ook afhangen van fundamentele maatschappelijke keuzes. Patrick Dewael heeft gelijk wanneer hij in zijn Manifest, na het institutionele verhaal, erop wijst dat er binnen Vlaanderen belangrijke ideologische tegenstellingen blijven bestaan. Om maar een drietal splijtzwammen te noemen, anno 2002: de actieve welvaartsstaat, de alles-is-gratis-politiek, en het vraagstuk van de solidariteit. De actieve welvaartsstaat - een paradepaardje bij de start van paars-groen - wordt vandaag frontaal gecontesteerd bij de groene regeringspartner en ook in syndicale kringen. Nog voor er substantiële vooruitgang is geboekt inzake de werkgelegenheidsgraad, wordt de doelstelling zelf van een drastische verhoging van de werkgelegenheidsgraad in vraag gesteld. Bij de contestanten wordt voornamelijk het niet-werken gepromoot, aangemoedigd met tijdskredieten allerhande. Het ACV betaalt zelfs radiospotjes om het tijdskrediet aan te prijzen. Bovendien blijft de afschaffing van het brugpensioen en werken op latere leeftijd taboe. Met zijn alles-is-gratis-filosofie wil minister Steve Stevaert (SP.A) overheidsdiensten niet langer laten betalen door gebruikers, maar wel uit de algemene belastingpot. Of hij schaft belastingen af die het karakter van een retributie hebben, ten nadele van de herverdelende inkomstenbelasting. Die politiek staat haaks op een beleid dat burgers via prijs- en fiscale prikkels responsabiliseert voor het beroep op de collectiviteit en zo overheidsdiensten efficiënter en doelgerichter maakt. Solidariteit blijft een heet politiek hangijzer. Het zit al onderhuids in het dossier van de actieve welvaartsstaat (solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden) en in de alles-is-gratis-filosofie (inkomenssolidariteit). Maar je vindt het ook terug in de vele beleidsintenties tot bestrijding van armoede en uitsluiting, of in het discours om geen buitenlands talent aan te trekken voor de laatste laaggeschoolde werkloze van hier aan het werk is. Het beleid is nogal gefixeerd op de linkerzijde van de Gauss-curve, maar heeft geen oog voor het belang van de rechterstaart van dynamisch talent, zoals Trends-Manager van het Jaar én socioloog Theo Dilissen het onlangs uitdrukte. Links-rechtstegenstelling. In de voornoemde dossiers vinden we telkens de aloude sociaal-economische links-rechtstegenstelling terug, die gevat zit in het spanningsveld tussen enerzijds solidariteit en egalitarisme (links) en anderzijds zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid (rechts). Natuurlijk moet er een evenwicht zijn tussen beide polen. De slinger slaat vandaag echter te veel naar links door. Dewael kondigt in zijn Manifest aan de ideologische tegenstellingen in Vlaanderen opnieuw scherp te willen stellen en te kiezen voor "verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, minder lasten en regels", en niet voor "verworven rechten, gratis voorzieningen en hangmatten". Om deze -wat ons betreft zeer terechte - ideologische keuze ook om te zetten in beleid dient er vooreerst een meerderheid gevonden in Vlaanderen. De zoektocht naar een breed gedragen toekomstproject voor Kleurrijk Vlaanderen kan daar zeker toe bijdragen.Maar een bijkomend probleem is dat Vlaanderen voor de realisatie van zijn maatschappelijke keuzes nog steeds in sterke mate op federaal-Belgisch niveau het fiat van de Franstaligen moet krijgen. Iets wat omgekeerd ook geldt voor Wallonië. Deze bijkomende federale hindernis frustreert beide landsdelen. In plaats van elkaar wederzijds te hinderen in de realisatie van de eigen maatschappelijke keuzes, kunnen Vlaanderen en Wallonië best bijkomende bevoegdheden krijgen. Tot zolang blijft de Vlaamse regering nog te veel hangen in de rol van drukkingsgroep.Jan Van Doren [{ssquf}]De auteur is adjunct-directeur van de VEV-studiedienst.Het is problematisch dat Vlaanderen voor de realisatie van zijn maatschappelijke keuzes nog steeds het fiat van de Franstaligen moet krijgen.