De ‘Doctorandus Econ omicus’

Lieven Desmet Lieven Desmet is redacteur bij Trends.

Het klopt niet dat alle wetenschappers vanuit hun ivoren toren de maatschappij gadeslaan. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) laat in zijn jongste jaarboek ondernemers aan het woord die destijds via het FWO een beurs ontvingen voor hun doctoraat. Trends brengt drie getuigenissen in een exclusieve voorpublicatie.

Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) brengt rond deze periode zijn Jaarboek uit met het activiteitenverslag over 2006. Het FWO stimuleert en ondersteunt fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen (zie kader: 80 jaar wetenschappelijk onderzoek). Steeds meer onderzoekers vinden hun weg naar de wereld buiten de universiteit; in het bijzonder naar de bedrijfswereld.

Christ’l Joris : “Vrijheid om aan onderzoek te doen”

Christ’l Joris kreeg van thuis uit belangstelling voor vreemde culturen. Na een jaar schoollopen in Zuid-Afrika, in haar laatste jaar middelbaar, besloot ze antropologe te worden. Omdat je antropologie enkel in postgraduaat kon doen, ging Joris eerst psychologie studeren aan de KU Leuven – met antropologie als keuzevak. Joris: “Professor Roossens, die toen het postgraduaat leidde, was in die periode gestart met een grootschalig onderzoeksproject rond thuiscultuur en migranten. Hij vroeg me of ik geïnteresseerd was om over die thematiek te doctoreren. Ik hapte toe omdat de thematiek maatschappelijk relevant was en erg toepassingsgericht.”

Joris kreeg een beurs bij het toenmalige NFWO, twee keer twee jaar. “Niet zo evident, want doctoreren in de antropologie is in de regel een zeer traag proces. Je moet je een vreemde cultuur en taal eigen maken. Je moet aan veldwerk doen, de zogenoemde ‘participerende observatie’. Die NFWO-beurs garandeerde vrijheid van onderzoek.” Joris opteerde voor onderzoek naar de constructie van het moederbeeld in Sicilië en de rol van emoties. De titel van haar doctoraatsthesis: La Mamma sarà sempre la Mamma. Een benadering van de culturele levenscyclus van de Siciliaanse vrouw.

Na haar doctoraat kon Joris voor vier jaar aan de slag bij de Koning Boudewijnstichting. “Ik kreeg er opdrachten die mij rechtstreeks in contact brachten met de bedrijfswereld, weliswaar met een zekere afstand, maar altijd vanuit interessante invalshoeken en thema’s.” Joris staat al twaalf jaar in het bedrijfsleven, als bestuurder, belangenbehartiger, vertegenwoordiger en woordvoerder. Ze is voorzitter van Stichting Gillès, een privé-stichting die ontwikkelingsprojecten financiert, en ondervoorzitter van de Wolkammerij in Hoboken, een sociaal incubatiecentrum voor duurzame tewerkstelling van mensen uit risicogroepen.

Wat heeft ze overgehouden aan haar doctoraatsjaren? Joris: “In Sicilië en bij de migranten in Brussel heb ik leren uit mijn doppen kijken, veel en scherp observeren, zoeken naar gelijkenissen en verschillen en netwerken opbouwen. Eigenschappen die heel goed van pas komen in de wereld van de bedrijven en beroepsfederaties waar ik in zit. Ik ben voorzitter van Flanders Investment & Trade. Daar komt het internationale meer naar boven. Het respect voor andere culturen, andere onderhandelingsgewoonten.

“Ik vind het heel belangrijk dat jonge mensen de vrijheid krijgen om aan onderzoek te doen. Ik heb dat destijds bijzonder geapprecieerd. Maatschappelijke relevantie is belangrijk, zonder dat daarvoor onmiddellijk de juste retour wordt aangerekend voor de gedane investeringen”.

Jos Peeters: “Vaardigheden heb ik heel mijn carrière meegedragen”.

Ik was voorbestemd om ingenieur te worden omdat ik naar de industrie wilde,” zegt Jos Peeters. “Maar op de abituriëntendag kreeg ik het virus van de wetenschap te pakken. Ik vond het plots veel boeiender en uitdagender om de grenzen van de natuurkunde te verkennen. Ik ben dan ook natuurkunde gaan studeren aan de KU Leuven. Maar als licentiaat in de natuurkunde kon je enkel in het onderwijs terecht. Een academische carrière zag ik evenmin zitten. De industrie was mijn droom. En de enige mogelijkheid om daar een job te vinden was doctoreren.”

Die mogelijkheid kwam er toen zijn promotor, professor Witters, hem voorstelde om via het NFWO een doctoraatsbeurs aan te vragen. “Het was de tijd van de politieke strijd en de studentenbetogingen rond Leuven Vlaams. Er schortte namelijk nogal wat aan de gelijkberechtiging tussen Vlamingen en Walen. Zo was men tot de vaststelling gekomen dat Vlaanderen in het kader van de toekenning van beurzen binnen het NFWO systematisch werd achtergesteld. Wijlen minister Theo Lefèvre heeft toen een correctiemechanisme uitgewerkt. Ik ben dus een van de gelukkige Vlamingen die daarvan gebruik kon maken.”

Peeters vroeg en kreeg een beurs voor twee opeenvolgende jaren. Nadien werd die omgezet in een bediendencontract. Maar hij deed zijn tweede termijn als NFWO-navorser nooit uit. In 1974 kreeg hij een uitnodiging om zich bij het toenmalige Bell Telephone in Antwerpen aan te bieden. Het was meteen raak. Door het feit dat hij doctorandus was, kon hij er meteen starten als manufacturing staff engineer advance technologies. “Als licentiaat zou ik gewoon niet aan de bak gekomen zijn,” weet hij zeker.

Peeters heeft zijn beslissing echter moeten bekopen met twee jaar lang weekends en vakanties op te offeren aan zijn doctoraat. Iets wat hij vandaag iedere doctoraatsstudent afraadt. Vlak voor kerstmis 1976 kon hij zijn thesis verdedigen. Het was de start van een rijke loopbaan, die hem voerde van wetenschapper tot achtereenvolgens technoloog, consultant, financier en ondernemer. “Het NFWO was de voedingsbodem van alle kansen die ik in mijn carrière gekregen heb.”

Peeters vindt zichzelf een typisch voorbeeld van een onderwijssysteem dat investeert in de breedte; in het uitbouwen van competentiepolen van mensen die later in een brede waaier van verantwoordelijkheden en functies terechtkomen. Hij vindt dat men vandaag soms te utilitair denkt als het over onderzoek gaat. “Mijn onderzoek was l’art pour l’art“, mijmert hij. “Met de studie van conductie-elektronen in aluminium waren misschien hooguit tien mensen wereldwijd bezig. Ik was de eerste die het fenomeen van ruimtelijke resonanties van de conductie-elektronen in aluminium kon aantonen. Dat was heel leuk. Maar nu, dertig jaar later, zijn er nog steeds geen toepassingen van gekomen. Hoewel mijn werk dus niet bepaald baanbrekend was, heeft het mij enorm veel inzichten bijgebracht. De vaardigheden die ik toen ontwikkeld heb om zo’n experiment tot een goed einde te brengen, heb ik heel mijn carrière meegedragen”.

Daarom vindt Peeters dat men in Vlaanderen breed moet zaaien op het vlak van opleiding en het uitbouwen van competenties. Doctoraten enkel focussen op industriële toepassingen die zo snel mogelijk geld opbrengen, vindt hij te beperkend. “Ik pleit voor voldoende investeringen in fundamenteel onderzoek. In het verlengde daarvan moet men natuurlijk ook zorgen voor de doorstroming van onderzoekers naar kennis- en onderzoeksinstellingen en naar de industrie. In heel die problematiek speelt het FWO een doorslaggevende rol”.

Chris Van Den Wyngaert: “Intellectueel emancipatietraject kunnen afleggen”.

Chris Van Den Wyngaert heeft zitting als hoogste Belgische magistraat in het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag. Ze zegt dat deze functie het rechtstreekse gevolg is van het intellectuele emancipatietraject dat ze dankzij het FWO heeft kunnen afleggen.

“Tijdens mijn laatste jaar rechten aan de VUB stelde professor Bart De Schutter mij voor om te doctoreren en daarvoor een beurs aan te vragen bij het NFWO. Ik kom uit een gezin van middenstanders die het weliswaar financieel goed hadden, maar weinig vertrouwd waren met hogere studies. Dat ik naar de universiteit ging, was al erg uitzonderlijk. Maar het voorstel om te doctoreren was nog een grotere revelatie”

Van Den Wyngaert kandideerde in 1974 bij het NFWO met een onderzoeksproject over de politieke misdrijven in het uitleveringsrecht, een toen erg exotisch onderwerp dat deel uitmaakte van het internationaal strafrecht. Een thema waar toen nauwelijks iemand mee bezig was. Actueel was het toen echter wel, getuige de aanslagen van de Rote Armee Fraktion, de Bader-Meinhoff groep, de CCC…

Ze startte in 1974 met een FWO-mandaat van twee jaar als stagiair, gevolgd door een aspirantenbeurs, ook voor twee jaar. Haar juridisch onderzoek in het kader van het internationaal strafrecht trok Van Den Wyngaert na haar doctoraat door op Europees vlak. Ook toen kon ze een beroep doen op het FWO. Ze kreeg een postdoctoraal onderzoeksmandaat van bevoegd verklaard navorser, dat uitmondde in een mandaat van aangesteld navorser van onbepaalde duur.

Over haar postdoctoraal onderzoek getuigt Van Den Wyngaert dat het nogal avant-gardistisch was: “Europa had op dat moment namelijk nog geen bevoegdheden inzake strafrecht. Dankzij die twee FWO-mandaten heb ik dus aan de ontwikkeling van dat juridisch domein kunnen meewerken. Ik vind het nog altijd geweldig dat het FWO mij de intellectuele ademruimte heeft gegeven om iets te doen wat in die periode niet voor de hand lag, maar dat pas veel later bijzonder relevant bleek te zijn.”

In 1985 ruilde Van Den Wyngaert het FWO-mandaat voor een opdracht als hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. “Ik vond het bijzonder boeiend om in volledige vrijheid aan onderzoek te kunnen doen en daar nog voor te worden betaald ook. Maar ik kreeg meer en meer de behoefte om de wetenschap die ik vergaard had niet enkel via publicaties te communiceren, maar ook verbaal, didactisch door te geven”.

Intellectuele emancipatie, ademruimte, bewegingsvrijheid, dat zijn de woorden die Chris Van Den Wyngaert in de mond neemt als zij het FWO wil typeren. Na een onderbreking van zes jaar als magistraat aan het Joegoslaviëtribunaal zal Van Den Wyngaert in 2009 zeer waarschijnlijk naar haar universiteit terugkeren.

Lieven Desmet

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content