Het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR), ondergebracht bij de Nationale Bank, publiceerde eind vorige maand de regionale rekeningen voor 1998. Die geven een beeld van de economische groei en structuurontwikkeling in de gewesten, provincies en arrondissementen. En dat krijgen we ruim twee jaar na de versheidsdatum. Onaanvaardbaar in een land waar het sociaal-economische beleid in belangrijke mate een regionale bevoegdheid is, en er grote sociaal-economische verschillen bestaan tussen de gewesten. Dat schromelijke tekort aan (snelle) regionale statistieken hebben we hier al eerder aangeklaagd.
...

Het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR), ondergebracht bij de Nationale Bank, publiceerde eind vorige maand de regionale rekeningen voor 1998. Die geven een beeld van de economische groei en structuurontwikkeling in de gewesten, provincies en arrondissementen. En dat krijgen we ruim twee jaar na de versheidsdatum. Onaanvaardbaar in een land waar het sociaal-economische beleid in belangrijke mate een regionale bevoegdheid is, en er grote sociaal-economische verschillen bestaan tussen de gewesten. Dat schromelijke tekort aan (snelle) regionale statistieken hebben we hier al eerder aangeklaagd. Ondanks hun wat belegen karakter leveren de jongste regionale rekeningen toch nog bijzonder relevante informatie. Wat het meest in het oog springt, is de nieuwe weging van het economische gewicht van de drie gewesten, op basis van meer verfijnde regionale verdeelsleutels. En wat blijkt? Vlaanderen weegt plots vier procentpunten minder zwaar en ziet zijn aandeel zakken van bijna 61% in de regionale rekeningen van 1997 naar amper 57%. Het Waalse aandeel zakt met een procentpunt naar 24%. De grote winnaar is Brussel, dat van 14% naar 19% klimt.Zonder accijnzen.Voor alle duidelijkheid, deze cijfers slaan niet op een reële economische evolutie, wel op een statistische herberekening. Die leidt vooral tot verschuivingen tussen Vlaanderen en Brussel. Het Vlaamse verlies is in hoofdzaak toe te schrijven aan het feit dat de accijnzen niet langer worden meegeteld in de toegevoegde waarde. Dat treft vooral Vlaanderen, en in het bijzonder Antwerpen, waar tot dusver de zware accijnzen op olieproducten volledig werden geboekt. De winst voor Brussel heeft vooral te maken met het feit dat bij de nieuwe berekening van de regionale toegevoegde waarde rekening wordt gehouden met regionale loonverschillen. Vooral in de dienstensectoren liggen de lonen in Brussel gemiddeld hoger dan in Vlaanderen. Doordat de dienstensector zo zwaar weegt in de Brusselse economie, speelt dit effect zeer sterk in het hoofdstedelijke gewest.Het statistisch toewijzen van toegevoegde waarde op basis van de loonsom - een noodoplossing bij gebrek aan regionale productiecijfers - blijft betwistbaar. Zeker in de publieke sector is het zeer de vraag of de toegevoegde waarde evenredig is met de betaalde lonen. Het is bekend dat de lonen in de openbare sector in Wallonië hoger liggen dan in Vlaanderen.De sterke sprong voorwaarts van Brussel in de nieuwe regionale rekeningen vergt dus enige nuancering. Niettemin kan men er niet omheen dat de economische aantrekkingskracht van Brussel in de lift zit, terwijl Antwerpen er als economisch centrum op achteruitgaat. Dat blijkt uit de evolutie van hun economisch gewicht in de periode 1995-1998, die in de jongste regionale rekeningen vermeld staat.Het gewicht van het Brussels Gewest neemt lichtjes toe, van 19,1% tot 19,3%. Maar vooral de rand rond Brussel gaat er relatief sterk op vooruit: Vlaams-Brabant van 9,5% naar 9,9% en Waals-Brabant van 3% naar 3,2% (de absolute getallen lijken klein, maar daarachter gaan grote reële groeicijfers schuil, die het INR echter nog moet berekenen). Brussel en de Brabantse rand zien aldus hun economisch gewicht toenemen tot bijna een derde van de Belgische economie.Het Antwerpse economisch centrum (arrondissement Antwerpen en Sint-Niklaas) zakt naar 13,7%. Brussel en de Vlaamse rand samen wegen dubbel zo zwaar als Antwerpen-Waasland. Brussel overtroeft de hele provincie Antwerpen.Dienstensector groeit.De tertiarisering van de economie is een belangrijke motor achter de uiteenlopende trends van Brussel en Antwerpen. In Brussel zorgen de dienstensectoren al voor ruim 90% van de toegevoegde waarde, terwijl de uittocht van de industrie zich er onverkort doorzet. Het zijn vooral de commerciële diensten, en niet langer de openbare diensten, die in Brussel vooruitgaan. Vlaanderen volgt een gelijkaardige ontwikkeling. In Wallonië daarentegen wint de industrie tegen de trend in aan belang, omdat de dynamiek in de dienstensector er wat achterblijft.Dat Brussel er als economisch centrum op vooruitgaat, valt ook af te lezen uit de werkgelegenheidsstatistieken. Het Brussels Gewest verloor in 1999 meer dan 2000 jobs in de industrie maar won er ruim 10.000 bij in de dienstensector, waarvan een 60% commerciële jobs, vooral in telecommunicatie en informatica. De Brusselse banengroei evenaart daarmee die van Vlaanderen, in relatieve termen. Vlaams-Brabant zag in de periode 1998-1999 het aantal banen dubbel zo sterk groeien als de rest van Vlaanderen, met meer dan 10.000 jobs extra.Zoals Antwerpen sinds de jaren zestig genoten heeft van de maritimisering van de mondiale economie, zo vaart Brussel vandaag wel bij de globalisering van de kenniseconomie: de clustering van economische activiteit rond grootstedelijke beslissingscentra. Al blijft het de vraag of de regionale rekeningen van 1998 wel een echte trendbreuk aangeven. Wachten op de rekeningen van 1999, 2000, 2001... Hopelijk niet tot over een jaar of drie.De auteur is adjunct-directeur van de VEV-studiedienst.Jan Van Doren