De hervorming van de personenbelasting is definitief. Zij staat te lezen in de wet van 10 augustus 2001, die op 20 september 2001 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. En dus kan de hervorming écht van start gaan, al moet u daar in een eerste fase niet al te veel van verwachten. Zij is immers gespreid in de tijd, en dit over de aanslagjaren 2002 tot en met 2005. Van de langverwachte verlaging van de tarieven van de personenbelasting zal in het begin zelfs niets te merken zijn. Voor deze kers op de taart is het immers wachten op het aanslagjaar 2003 (inkomsten van 2002): pas dan gaan de tarieven een eerste keer omlaag. En ook hier ligt de eindmeet in het aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004), al is het nog de vraag of deze plannen niet doorkruist zullen worden door de aangekondige recessie, die misschien harder toeslaat dan verwacht.
...

De hervorming van de personenbelasting is definitief. Zij staat te lezen in de wet van 10 augustus 2001, die op 20 september 2001 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. En dus kan de hervorming écht van start gaan, al moet u daar in een eerste fase niet al te veel van verwachten. Zij is immers gespreid in de tijd, en dit over de aanslagjaren 2002 tot en met 2005. Van de langverwachte verlaging van de tarieven van de personenbelasting zal in het begin zelfs niets te merken zijn. Voor deze kers op de taart is het immers wachten op het aanslagjaar 2003 (inkomsten van 2002): pas dan gaan de tarieven een eerste keer omlaag. En ook hier ligt de eindmeet in het aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004), al is het nog de vraag of deze plannen niet doorkruist zullen worden door de aangekondige recessie, die misschien harder toeslaat dan verwacht. In deze column zullen we het houden bij een overzicht van wat hic et nunc verworven is. Dat zijn de maatregelen die al bij het aanslagjaar 2002 (inkomsten van 2001) in werking treden.En we beginnen met een maatregel die geen verbetering, maar een verslechtering van de bestaande toestand inhoudt: de vrijstelling van de bijdrage van de werkgever in de kosten van het woon-werkverkeer geldt voortaan alleen nog ten aanzien van werknemers die voor de aftrek van hun beroepskosten onder toepassing vallen van de forfaitaire kostenaftrek, en dus geen hogere werkelijke kosten bewijzen. Daartegenover staat dat de werkgever de kosten van het door hem collectief georganiseerde woon-werkverkeer voortaan volledig zal kunnen aftrekken, niet alleen wanneer hij gebruikmaakt van autobussen (of van de diensten van een autobusexploitant), maar ook wanneer hij dit vervoer met minibussen organiseert. De hervormingswet bevat voor belastingplichtigen die hun werkelijke beroepskosten bewijzen, naast slecht ook goed nieuws. Tot nog toe mochten zij 6 frank per kilometer in rekening brengen wanneer zij de verplaatsingen van het woon-werkverkeer met hun eigen wagen maakten. Dat blijft zo. Maar daar wordt nu aan toegevoegd dat zij ook 6 frank per kilometer in rekening mogen brengen wanneer zij die verplaatsingen anders maken en voor de kosten van die verplaatsingen geen bewijzen op tafel willen of kunnen leggen. De nieuwe maatregel geldt bijvoorbeeld voor wie gebruikmaakt van een fiets of bromfiets, of voor wie met iemand anders meerijdt, en zelfs voor wie te voet gaat. Maar bij nader inzien heeft dat allemaal niet veel om het lijf. Voor de nieuwe regel (in verband met verplaatsingen van het woon-werkverkeer, anders dan met de eigen wagen) mag immers slechts rekening worden gehouden met een afstand van maximaal 25 kilometer tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Wie bijvoorbeeld eenmaal per dag met de bromfiets over en weer rijdt, mag dus ten hoogste (25 x 2 =) 50 kilometer in rekening brengen. Voor voetgangers is de nieuwe maatregel al helemaal een lachertje. Het weinige aantal kilometers dat zij per jaar bijeen kunnen stappen, zal in vrijwel alle gevallen volstrekt onvoldoende zijn om de werkelijke beroepskosten (met daarin ook 6 frank per kilometer van het woon-werkverkeer) te kunnen optillen boven het bedrag van het kostenforfait. De nieuwe wet brengt ronduit goed nieuws voor kinderen die onderhoudsgeld ontvangen. Dit onderhoudsgeld telt met ingang van het aanslagjaar 2002 nog slechts in beperkte mate mee om te beoordelen of het kind nog al dan niet fiscaal ten laste is. De vrijgestelde schijf bedraagt 1800 euro of 72.612 frank per jaar (aangepast aan het indexcijfer zou dit voor het lopende inkomstenjaar uitkomen op een bedrag van 2350 euro of 94.799 frank).Voorts is gesleuteld aan de toegelaten grens van de netto-bestaansmiddelen voor kinderen die ten laste zijn van iemand die fiscaal als een alleenstaande wordt beschouwd (bijvoorbeeld, een feitelijk gescheiden echtgenoot vanaf het jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding). Deze grens gaat met 350 euro omhoog en bedraagt voortaan 2600 euro of 104.884 frank (na index-aanpassing is dat 3390 euro of 136.752 frank).Het wetsontwerp bevat ook goed nieuws voor de feitelijk gescheiden echtgenoten zelf. Zij blijven, zoals men weet, in principe instaan voor elkaars belastingschulden inzake personenbelasting. Maar de wetgever heeft nu in een belangrijke beperking voorzien. Die geldt vanaf het tweede jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding.Zij komt erop neer dat de ene feitelijk gescheiden echtgenoot het inkomen dat hij vanaf dat jaar verdient, zal kunnen afschermen tegen invordering van de personenbelasting die de andere echtgenoot verschuldigd is op de inkomsten die hij ook vanaf dat jaar verdient.De hervormingswet bevat daarnaast nog enkele kleine, minder belangrijke aanpassingen. Zo zullen vrouwen voortaan ook individuele levensverzekeringen met fiscaal voordeel tot aan hun 65ste verjaardag kunnen afsluiten. De regel dat het contract afgesloten moet zijn vóór de leeftijd van 65 jaar gold tot nog toe alleen voor mannen, nu dus ook voor vrouwen. En voorts is er nog een nieuw regeltje inzake het huwelijksquotiënt. Het mechanisme van het huwelijksquotiënt is uiteraard bedoeld om in het voordeel van de belastingplichtigen te werken. Maar uit de praktijk blijkt dat het in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven tot een verhoging van de belastingdruk. Vandaar dat nu _ vanaf het aanslagjaar 2002 _ uitdrukkelijk in het wetboek te lezen staat dat het huwelijksquotiënt buiten werking blijft als het niet in het voordeel, maar wel in het nadeel van de belastingplichtigen werkt. Jan Van DyckDe auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Het huwelijksquotiënt mag voortaan alleen nog 'in het voordeel' van belastingplichtigen werken.