De hetze rond het Generatiepact heeft het Belgische overlegmodel op zijn grondvesten doen daveren. In 2006 dreigen naschokken het arbeidsmarktbeleid te verstoren. De socialistische partijen lijden aan beide kanten van de taalgrens. Met een verkiezingsjaar voor de boeg, moeten zij de kloof met de achterban dichten. Dat is geen gunstig voorteken voor twee cruciale dossiers van het nieuwe jaar: de loonkosten en de arbeidsmigratie.
...

De hetze rond het Generatiepact heeft het Belgische overlegmodel op zijn grondvesten doen daveren. In 2006 dreigen naschokken het arbeidsmarktbeleid te verstoren. De socialistische partijen lijden aan beide kanten van de taalgrens. Met een verkiezingsjaar voor de boeg, moeten zij de kloof met de achterban dichten. Dat is geen gunstig voorteken voor twee cruciale dossiers van het nieuwe jaar: de loonkosten en de arbeidsmigratie. Het scenario van de onmogelijke noodzakelijkheid, waarin het eindeloopbaandebat is verzand, dreigt zich te herhalen op het vlak van de loonkosten. Ook nu dwingen objectieve studies tot actie. Ook nu wordt van de sociale partners verwacht dat zij zelf corrigeren. Ook nu zal de regering water en vuur moeten verzoenen met een compromis dat wellicht iedereen ongelukkig en niemand woest zal maken. Deze onzalige processie hebben we al enkele keren ondergaan. Volgens de wet op het concurrentievermogen moeten werkgevers en werknemers tweejaarlijks de maximale stijging van de loonkosten in de privé-sector fixeren. Die fameuze loonnormen moeten de evolutie van de loonkosten in België koppelen aan die van belangrijke referentielanden en zo de concurrentiekracht en tewerkstelling vrijwaren. In theorie klopt het systeem als een bus. Technische voorspellingen door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven moeten de loonnorm objectief maken. De sociale partners moeten correctiemechanismen inbouwen voor het geval loonkosten alsnog zouden ontsporen. En de federale regering kan steeds zelf tussenbeide komen wanneer onderhandelaars geen of een slechte loonnorm bereiken. De praktijk is echter anders uitgedraaid. De voorspellingen van de CRB over te verwachten loonkosten in de referentielanden zijn geen profetieën gebleken. De sociale partners hebben loonontsporingen achteraf nooit gecompenseerd. Opeenvolgende regeringen hebben liever een slecht akkoord dan geen akkoord gewild. De loonnorm is geleidelijk verwaterd tot een manipuleerbaar symbool. Het doel van automatische en preventieve loonmatiging is nooit bereikt. Ondertussen staat vast dat de Belgische loonkostenhandicap is toegenomen ten aanzien van de rechtstreekse concurrenten Frankrijk, Duitsland en Nederland. Dat komt onder meer wegens doorgedreven loonmatiging bij onze buren. Onder het regime van de wet moet België per definitie evenveel matigen. Maar dat bedreigt de automatische loonindexering, die alleen in België bestaat. Een nieuw symbooldossier dient zich aan. De uiteindelijke oplossing laat zich raden. Er zullen geen heilige huisjes sneuvelen. De loonmatiging zal onvermijdelijk, maar onvoldoende zijn. De regering zal in een verkiezingsjaar liever als glijmiddel dan als breekijzer fungeren. Als het even kan, moet lastenverlaging ruimte maken voor een stijging van nettolonen. Excessieve loonsverhoging voor het heden gaat echter ten koste van het concurrentievermogen van onze exporteconomie en ondermijnt dus werkgelegenheid in de toekomst. Of hoe ook loonkosten generaties tegen elkaar uitspelen. Loonkosten zijn ook de voedingsbodem van de tweede splijtzwam van het nieuwe jaar. Tegen 1 mei 2006 moet België beslissen of het zijn arbeidsmarkt openzet voor de EU-landen in Oost- en Centraal- Europa. Angst voor massale of illegale arbeidsmigratie zorgt bij sommigen voor een bunkerreflex. Realisme en optimisme zijn betere raadgevers. Realisme leert dat een instroom van werkwilligen uit Oost- en Centraal-Europa zowel onvermijdelijk als beperkt is. Optimisme is gewettigd. De overwegend jonge, hardwerkende en gemotiveerde Europese medeburgers bieden onze economie veel meer opportuniteit dan bedreiging. Ierland, Engeland en Zweden tonen ons hierin de weg. Door de Belgische arbeidsmarkt te openen, gunnen we de burgers uit Oost- en Centraal-Europa ten minste de kans op een reguliere tewerkstelling die daarenboven mee onze sociale zekerheid zal financieren. Door onze arbeidsmarkt te sluiten, houden we hen niet buiten, maar dwingen we hen in nepstatuten en schemerige constructies die geen enkel controleapparaat kan uitroeien. Perfectie is niet van deze wereld. De uitbreiding van de Europese markt met lagelonenlanden zorgt voor een overgangsfase met risico's van oneerlijke concurrentie. Het komt eropaan misbruiken te bestrijden en tegelijk de unieke opportuniteit van de uitbreiding te grijpen. Een struisvogelbeleid van gesloten grenzen doet noch het één, noch het ander. De federale regering heeft hierover bij de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid een studie besteld. Nochtans tonen al diverse rapporten dat open arbeidsmigratie veel meer voordelen dan nadelen heeft. De regering zoekt vooral een bliksemafleider om interne verschillen te neutraliseren. De ervaring van het Generatiepact en de loonnorm leert echter dat studies niet zorgen voor een oplossing, alleen voor uitstel. Het wordt een boeiend jaar. De auteur is docent aan de Universiteit Gent en de VUB.Marc De Vos