Richard Sennett, Respect in een tijd van sociale ongelijkheid. Byblos, 288 blz., 21,50 euro.
...

Richard Sennett, Respect in een tijd van sociale ongelijkheid. Byblos, 288 blz., 21,50 euro.Nauwelijks zeven was Richard Sennett, toen hij al betrokken geraakte in de glasoorlogen tussen zwarte en blanke jongeren in een armenbuurt van Chicago. "Als je iemand met een glasscherf aan de overkant raakte, had je een punt gescoord." Voor de jongeren was het "meer een uiting van fysiek geweld dan van rassenhaat," merkt Sennett gauw op. Toen een zwart meisje bijna doodbloedde, konden haar vrienden haar redden door een passerende bus aan te houden en haar zo tijdig in het ziekenhuis te krijgen. Door zijn snelle groei kon de jonge Sennett zich fysiek handhaven in het armengetto, al bleef hij met zijn muzikale studie en in het met boeken volgestouwde tweekamerappartement een buitenbeentje. Zijn moeder was één van de weinige blanken die er beland waren, nadat zijn vader haar verlaten had voor een Spaanse schone. Die vrouw had de joodse communist leren kennen, toen hij samen met zijn broer als linkse vrijwilliger vocht in de Spaanse Burgeroorlog. Moeder kon naar een sociaal-woningproject, waarin bewust zwart en blank gemengd werd, een opmerkelijk idee in het Amerika van de jaren veertig. De rebelse dochter van een excentrieke uitvinder (die vergat een patent aan te vragen op de uitvinding van het antwoordapparaat) kon zich finaal overeind houden als sociaal werkster. Haar zoon maakte furore als een wondertiener die cello speelde en componeerde. Op zijn 21ste maakte een mislukte operatie aan zijn hand een eind aan zijn muziekcarrière, waarna hij zich stortte op de studie van de sociologie. Dat was het begin van een loopbaan als professor sociologie. Vandaag doceert de prille zestiger aan de New York University én de London School of Economics. Vooral sinds zijn in 1998 verschenen studie De flexibele mens geniet hij wereldwijd faam als een socioloog die boeiend en toegankelijk schrijft over de gevolgen van de hedendaagse kapitalistische logica op mens en maatschappij. Nu pakt Sennett uit met alweer zo'n even erudiet als spannend en controversieel boek, Respect in een tijd van sociale ongelijkheid, waarin hij rijkelijk put uit zijn fascinerende levensgeschiedenis om enkele sociale fenomenen te illustreren. Naast de wereld van het werk, staan nu ook de verzorgingsstaat, de multiculturele maatschappij en vooral respect centraal. Het geluk van de vakman. Sennett is de perfecte belichaming van de Amerikaanse Droom, waarin het Dickensiaans armenkind het schopt van de goot tot de duurste villa. Maar bij hem geen zweem van beate beaming van dat meritocratische sprookje. Al lijkt Sennett deze keer ook wel wat dubbelhartig. Zo is hij er heilig van overtuigd dat hij zich zowat letterlijk uit het getto heeft gespeeld dankzij zijn muzikale talent (en discipline). Een nuchtere lezer corrigeert: het is de moeder die zich uit de naad gewerkt heeft, waardoor ze naar een betere buurt kon verhuizen en haar zoon meer mogelijkheden kon bieden. Sennetts analyse luidt anders: door zijn talent als cellist behandelden de rijkere klassen hem met respect. Dát gaf de doorslag. Respect geeft immers zelfrespect. Dat is ook het gevoel dat een vakman ervaart. Hij haalt respect uit zijn werk. Maar hoe zou je nog respect halen uit al die routineuze en anonieme baantjes die weggelegd zijn voor de meeste armere burgers - als ze überhaupt al werk hebben? Iedereen een vak leren, is evenwel niet eenvoudig. Wat dan met de kansarmen die ook dan nog uit de boot vallen? Je moet hun geen aalmoes geven, je moet hen respecteren, zo luidt de boodschap van Sennett. Maar hoe doe je dat in een maatschappij waarin de kortetermijnresultaten het enige zijn waarvoor de met aandelenopties beloonde managers nog oog hebben? In dat denken is nog wel ruimte voor aalgladde politieke correcte façadepraatjes, maar niet meer voor werk waaruit zowel een gevoel van zekerheid als (zelf-) respect gepuurd kan worden. Daarmee zijn we terug bij het vorige werk van Sennett. De klacht is duidelijk, maar een oplossing aanreiken blijft moeilijk. Ieder zijn cultuur. Vroeger bepaalde iemands wieg welke plaats hij in de wereld zou krijgen. In de huidige meritocratische wereld is degene die niet mee kan, evenwel zelf de schuldige. Of hij wordt dat impliciet genoemd. Of hij voelt dat zelf zo aan. Dat gevoel van respectloosheid wordt nog versterkt door de kreet van de Britse premier Tony Blair en diens vele adepten: "De nieuwe welvaartstaat moet arbeid stimuleren, niet afhankelijkheid." Respect is niet toevallig ook de leuze van vele allochtonen. Daarin schuilt de grote klacht die westerlingen en dan vooral Europeanen van het continent niet altijd inzien: integratie kan niet betekenen dat de allochtoon zijn cultuur moet opgeven. Met wederzijds respect kan ieder zijn cultuur behouden en ook dan nog altijd één gemeenschap vormen. Luc De DeckerIntegratie kan niet betekenen dat de allochtoon zijn cultuur moet opgeven.