trends.be de volledige
...

trends.be de volledige resultaten van de E&Y-studieHet aantal neergelegde jaarrekeningen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank bedroeg in het boekjaar 2005 liefst 317.454, tegenover 308.018 in 2004. Trends presenteert daarvan traditiegetrouw de duizend snelste groeiers inzake omzet, personeel en cashflow (zie kader: Hoe wordt u Trends Gazelle?). Dit voorjaar rangschikten we de Trends Gazellen op provinciaal niveau, nu maken we de oefening opnieuw, maar op Vlaams niveau. Het is een bonte mix van de meest uiteenlopende sectoren als transport, chemie, farma, textiel. Exuberante hightech, service en diensten, of pure industrie, alle zijn vertegenwoordigd. Eén ding hebben ze wel gemeen: ze groeiden de voorbije vijf jaar het snelst en zijn bijgevolg de ideale ambassadeurs voor de economische dynamiek van België, en dit zowel op het vlak van werkgelegenheid, innovatie, competitiviteit als creatief ondernemerschap. Op de volgende bladzijden kan u deze groeikampioenen terugvinden, opgedeeld per categorie. Het Oost-Vlaamse chemiebedrijf EOC Belgium gaat lopen met de trofee van Superambassadeur. Een beloning voor een lonende diversificatiepolitiek. Zo startte EOC Belgium in 1974 met de productie van latex, het hoofdbestanddeel van vloeibare kleefstof. Het latex ging naar de tapijtindustrie, die steeds vaker zelf dergelijke kleefstoffen ontwikkelt. Sinds 1998 stort EOC Belgium zich ook op de productie van kleefstoffen en bindmiddelen. Oorspronkelijk gebeurde dat in vier onafhankelijke nv's, die fuseerden naar één structuur - meteen de hoofdreden van de snelle groei de jongste jaren. Uitgedrukt in cijfers: de omzet klom tussen 2001 en 2005 van 58,8 miljoen euro tot 153,7 miljoen euro (+161 %). Het personeelsaantal groeide in die tijdspanne met 198 %, van 93 tot 278 medewerkers. De ganse EOC groep telt een tiental vestigingen, zowel in Europa, het Verenigd Koninkrijk als Azië. De andere ambassadeurs zijn - in de categorie van de middelgrote ondernemingen - Okop, de holding boven de Okaywinkelformule van Colruyt, en NLDC, bij de kleine ondernemingen. Net als elk jaar onderzocht Ernst & Young Business Advisory Services deze gazellen in opdracht van Trends. Meer dan een kwart van de gazellen nam deel aan de enquête, wat de representativiteit ten goede kwam. Ruim een kwart van de gazellen is actief in de retail of handel. De rest zijn productiebedrijven of dienstgedreven ondernemingen. 47 % van die bedrijven is volledig in handen van de stichtende familie; 75 % heeft een familiaal karakter waarbij de familie minstens een substantieel belang in het aandeelhoudersschap aanhoudt. Dat Vlaanderen een regio is van familiale kmo's wordt hier nog maar eens mee bevestigd. 31 % heeft de gevreesde kaap van opvolging al genomen, 14 % is zelfs al aan zijn derde generatie bezig. 39 % van de bedrijven wordt dan weer geleid door een extern management. Allicht een van de opmerkelijkste bevindingen uit het onderzoek is net die opvolging. Immers, slechts 30 % denkt aan een familiale opvolging voor het bedrijf. "Terwijl dit vroeger per definitie een vaststaand gegeven was, merken we nu toch een zekere trendbreuk", stelt Jo Sanders, Partner Ernst & Young Business Advisory Services, die het onderzoek leidde. 22 % denkt aan een externe manager voor de opvolging, terwijl 11 % aan een verkoop denkt. "Slechts 11 %", reageert Sanders. "Ondanks de hoge waarderingen die bedrijven vandaag opgekleefd krijgen." Ook inzake groei merken we een opvallend nieuwe dynamiek. 15 % denkt eraan om die groei te verwezenlijken door een strategische alliantie op te zetten met andere bedrijven. "Heel wat grote ondernemingen hebben allang begrepen wat ze met strategische allianties kunnen bereiken", stelt Jo Sanders, die studie verrichte naar dit onderwerp. Dat dit nu ook doorsijpelt naar de rest van het economische weefsel is enkel toe te juichen. "Het voordeel van een alliantie is dat er geen echte integratie nodig is, zoals bij een fusie." Bijna een kwart van de respondenten denkt aan acquisities om voort te groeien. "De percentages van zowel allianties als acquisities bewijzen op zijn minst een hernieuwde dynamiek", merkt Jo Sanders op. Het vinden van geschikt personeel is een mogelijke rem op verdere groei. Daar kampt momenteel liefst 30 % van de ondervraagde gazellen mee. "Massaproductie is niet langer weggelegd voor onze contreien, de toegevoegde waarde ligt in gespecialiseerde niches, maar de verdere ontplooiing van die ondernemingen dreigt afgeremd te worden omdat men het personeel niet vindt." Sanders kan zich dan ook helemaal vinden in de aangekondigde politiek van een economisch green-cardbeleid, om die witte raven te vinden. Vooral technisch geschoolde werknemers zijn, met bijna 40 %, gegeerd. Het pleidooi van minister Frank Vandenbroucke (SP.A) voor een Hoger Beroepsonderwijs (HBO), waaruit vooral technische profielen moeten stromen, is alvast een stap in de goede richting. Met promotie voor technisch geschoolden als nieuwe boodschap, worden technische opleidingen weer aantrekkelijk, zeggen ondernemers en onderwijsmensen. Maar ook bij ondernemers lijkt de bewustwording te groeien dat waardevolle mensen inspraak en invloed verdienen in het management. Waar we vroeger de 'patron' zagen die als een alleenheerser alles bestuurt, valt er een duidelijke kentering waar te nemen. 75 % van de ondernemers geeft zijn medewerkers nu al inspraak. 20 % is van plan om dat te gaan doen. Blijkbaar mag staatssecretaris Vincent Van Quickenborne (Open VLD) zich inmiddels op de borst slaan. Vorig jaar vond 42 % van de ondernemers een overdreven overheidsreglementering een belangrijke hinderpaal bij hun groei; vandaag is dat nog maar 16 %. Optimistisch zijn de ondernemers ook als ze gevraagd worden naar hun omzet en winstprognoses voor de komende drie jaar. 82 % ziet zijn omzet stijgen, 17 % verwacht een stagnatie. De winstgevendheid doet het met respectievelijk 72 % verwachte stijging en 22 % stagnatie, iets minder goed. Maar het blijven toch hoopgevende cijfers. De drie vormen van innovatie - product-, procesinnovatie en nieuwe markten - zijn netjes verdeeld. "En dat is voor mij toch wel een nieuw feit", stelt Jo Sanders. "Innovatie staat in de perceptie symbool voor productvernieuwing, maar ondernemers zijn duidelijk op diverse fronten bezig met innovatie." Er bestaat een positief verband tussen het ervaren van innovatie als groeistimulans en de effectieve groei in toegevoegde waarde. "Gesofisticeerde producten genereren een hogere toegevoegde waarde wegens een hogere prijszetting. Procesinnovatie belangt meer de interne productieketting aan. Marktinnovatie is dan weer eerder het herdenken van een bestaand product," analyseert Jo Sanders, die opmerkt dat de overheid teveel focust op productinnovatie. "De overheid geeft bijvoorbeeld via het IWT steun aan productinnovaties. Maar voor proces- of andere innovatieve ontwikkelingen staat de ondernemer er alleen voor." 57 % van de gazellen stelt bij innovatie duidelijk kwantitatieve doelstellingen voorop en meet die periodiek. Geen ivoren toren dus, maar ook geen kerktoren meer, want 57 % is bezig met internationalisatie van het bedrijf. 36 % is daar helemaal niet mee bezig. Hoe concreet en in welke vorm die internationalisering, wilden we weten? 43 % denkt aan verkoop in andere contreien, via een combinatie van eigen verkopers, filialen en agenten. Slechts 14 % denkt aan productiefaciliteiten in het buitenland. 58 % denkt zelfs exclusief aan België om te (blijven) produceren in de komende vijf jaar. 33 % wil gedeeltelijk in België en in het buitenland produceren. Het spook van de delokalisering doemt maar bij 9 % echt op. Een kwart ziet het buitenland dan weer zitten voor inkoop en 11 % hoopt via het buitenland aan geschikt personeel te geraken. "Deze resultaten bewijzen toch dat België, in weerwil van de perceptie, wel een toekomst heeft voor productiegedreven activiteiten", zegt Jo Sanders. Onze Gazellen geven blijk van milieubewustzijn. 69 % vindt de huidige milieuwetgeving een logische vorm van duurzaam ondernemen. Voor 31 % vormt ze een extra belasting die de onderneming op kosten jaagt. Maar realistisch zijn de ondernemers ook. Een Europese milieuwetgeving ziet de helft als een competitief nadeel, omdat onze concurrenten in de andere werelddelen minder (milieu)kosten hebben. De andere helft van de gazellen lijkt bereid om die prijs te betalen. Ze stellen dat dit ook als een competitief voordeel kan worden gezien, omdat ons werelddeel leefbaarder zal zijn. Door Lieven Desmet