In opdracht van Vlaams minister van Cultuur Luc Martens (CVP) bestudeerden Jan Colpaert ( Ehsal) en Miek De Kepper ( Federatie van Vlaamse erkende Culturele Centra) de spreiding van het gesubsidieerde podiumaanbod in Vlaanderen. Inventarisering wees uit dat er in ons gewest op jaarbasis 21.095 podiumactiviteiten plaatsvinden, of zowat negentig per dag. Nog anders gezegd: elke dag vindt minstens één podiumactiviteit plaats in één op vier gemeenten. Gelet op de kleine oppervlakte van Vlaanderen en op de mobiliteit van zijn inwoners noemen de onderzoekers dat alvast een (kw...

In opdracht van Vlaams minister van Cultuur Luc Martens (CVP) bestudeerden Jan Colpaert ( Ehsal) en Miek De Kepper ( Federatie van Vlaamse erkende Culturele Centra) de spreiding van het gesubsidieerde podiumaanbod in Vlaanderen. Inventarisering wees uit dat er in ons gewest op jaarbasis 21.095 podiumactiviteiten plaatsvinden, of zowat negentig per dag. Nog anders gezegd: elke dag vindt minstens één podiumactiviteit plaats in één op vier gemeenten. Gelet op de kleine oppervlakte van Vlaanderen en op de mobiliteit van zijn inwoners noemen de onderzoekers dat alvast een (kwantitatief) mooi aanbod. Maar het ging er hen dus om de cultuur spreiding te meten, wat ze deden op twee niveaus: gemeentelijk en provinciaal. De studie mat onder meer de densiteit van het aanbod, met andere woorden het aantal podiumactiviteiten per jaar per 1000 inwoners. Voor heel Vlaanderen bedraagt die ratio 3,5. Maar achter dat gemiddelde gaan grote verschillen schuil: zo blijken 20 Vlaamse gemeenten (die samen goed zijn voor 1,8% van de bevolking) 0% van het totale podiumactiviteitenaanbod te hebben, terwijl de stad Antwerpen (met 7,5% van de totale Vlaamse bevolking) voor zo'n 14,5% van dat aanbod tekent. De graad van spreiding of concentratie berekenen Colpaert en De Kepper door het cumulatieve percentage bevolking te relateren aan het cumulatieve percentage podiumactiviteiten: zo vinden ze voor Vlaanderen een waarde van 0,51, halfweg tussen perfecte spreiding (waarde 0, wat zou betekenen dat in elke gemeente een aantal voorstellingen plaatsvindt dat net evenredig is met het aantal inwoners) en totale concentratie (waarde 1). Ze besluiten dat het door de overheid ondersteunde podiumaanbod in Vlaanderen evenwichtig gespreid is, maar met de kanttekening dat achter dat algemene evenwicht wel regionale pijnpunten schuilen.Op de vraag of de inwoners van de verschillende provincies evenveel mogelijkheden hebben om podiumactiviteiten bij te wonen in hun provincie, is het antwoord negatief: vooral Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen scoren zwak. Ten opzichte van het theoretische "verwachte aanbod" (evenredig met het aantal inwoners) blijkt het werkelijke aanbod in die twee provincies respectievelijk 19% en 22% lager te liggen. Bovendien scoren ze allebei ook het zwakst qua spreiding binnen de provincie. Doorslaggevend hierin is het gevoerde provinciale beleid ten opzichte van culturele infrastructuur, stellen de auteurs, die dan ook pleiten voor het verbeteren van de bestaande, en eventueel inplanten van bijkomende infrastructuur. Al zal zeker niet iedereen het met dat laatste eens zijn. Hoewel ze inleidend zelf wijzen op de grote mobiliteit van de Vlamingen en de kleine oppervlakte van hun gewest, lijken de onderzoekers er impliciet van uit te gaan dat iedere inwoner op vijf minuten van zijn woning een of ander cultureel centrum moet kunnen vinden. Hun denkwerk lokt bij ons (schrijver dezes is Vlaams-Brabander) alvast de bedenking uit dat minstens ook het ' cultuuroverschot' van Brussel, met zijn KVS, Beursschouwburg, PSK en zoveel andere cultuurhuizen in rekening moet worden gebracht. Deze studie over het Vlaamse podiumaanbod vormt deel 6 van de reeks "Cultuurstudies" en is verkrijgbaar bij de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Communicatie en Ontvangst, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel, Tel. (02)553.55.50.