Vorige maand was ik op een bijeenkomst met vertegenwoordigers van de Conference Board, een economische organisatie die de ontwikkeling van de economie in de gaten houdt. De vicevoorzitter is de Nederlander Bart van Ark. Hij is de eerste niet-Amerikaanse hoofdeconoom sinds de oprichting negentig jaar geleden. Ik luisterde extra aandachtig omdat Van Arkel voorspelde dat Europa meer zou lijden onder de economische gloom and doom dan de VS. Dat leek onwaarschijnlijk. De euro was sterk en gestegen olieprijzen werkten in het Amerika met de zwakke dollar harder door dan in Europa. De Amerikaanse inflatieverwachting lag ook hoger vanwege de hogere voedselprijzen die voortvloeien uit het feit dat de VS een derde van de maïsoogst gebruikt voor de productie van ethanol als autobrandstof.
...

Vorige maand was ik op een bijeenkomst met vertegenwoordigers van de Conference Board, een economische organisatie die de ontwikkeling van de economie in de gaten houdt. De vicevoorzitter is de Nederlander Bart van Ark. Hij is de eerste niet-Amerikaanse hoofdeconoom sinds de oprichting negentig jaar geleden. Ik luisterde extra aandachtig omdat Van Arkel voorspelde dat Europa meer zou lijden onder de economische gloom and doom dan de VS. Dat leek onwaarschijnlijk. De euro was sterk en gestegen olieprijzen werkten in het Amerika met de zwakke dollar harder door dan in Europa. De Amerikaanse inflatieverwachting lag ook hoger vanwege de hogere voedselprijzen die voortvloeien uit het feit dat de VS een derde van de maïsoogst gebruikt voor de productie van ethanol als autobrandstof. Van Arks voorspelling lijkt toch uit te komen. De industriële productie in de eurozone daalde met 1,9 %, de grootste teruggang sinds 1992. Het eerste economische onweer kwam als uitloper van de inzakkende vastgoedmarkt in Groot-Brittannië en Spanje. Nu beginnen alle EU-lidstaten economische problemen te vertonen. De Franse productie zakte terug en de Duitse export kan de neergang in andere landen niet meer compenseren. Tegelijk schrijdt de inflatie voort. Als Europa hoopte dat de donkere wolken zouden overwaaien, was dat ijdele hoop. De crisis slaat ook toe in Europa. Maar harder dan in de VS? Een waarnemer zou denken dat de crisis vooral Amerika treft. De Amerikaanse overheid moest voorkomen dat de hypotheekverschaffers Fannie Mae en Freddie Mac in het ravijn zouden storten. Beide hypotheekinstellingen zijn ooit door het Congres opgericht om ervoor te zorgen dat gewone burgers via gunstige hypotheken huiseigenaren kunnen worden. Het zijn government-sponsored enterprises die weliswaar opereren op de vrije markt, maar steun krijgen van de overheid omdat ze een beleidsdoel (eigen huisbezit) stimuleren. De kleine man klopt aan bij Freddie en Fannie. Maar de twee hypotheekverschaffers waren te gul tijdens de hausse van het onroerend goed. Ze dreigden insolvabel te worden waardoor ze geen leningen meer konden opnemen. Freddie Mac staat borg voor 3 triljoen dollar onroerend goed (evenveel als de jaarlijkse federale begroting van de VS) en Fannie Mae voor 2,2 triljoen. Ze waren dus too big to fail. De Federal Reserve hield beide instellingen boven water. De Fed is geldverschaffer in noodgevallen. Dit was een noodgeval. Intussen staan 150 Amerikaanse regionale hypotheekbanken op de rand van de afgrond. Freddie en Fannie dekken ongeveer de helft van de Amerikaanse hypotheekmarkt. Andere hypotheekverschaffers hebben voor 6,8 triljoen dollar aan leningen uitstaan. De hypotheekbank Indymac ging bijna voor de bijl. Rekeninghouders verdrongen zich voor de deuren om hun geld op te eisen. De overheid werd gedwongen een bail out te verzekeren zodat die banken niet failliet gingen. Beleidsdoel nummer een: houd het financiële systeem op de been. Zakenbanken zoals Merrill Lynch en Citicorp berichten dagelijks over afschrijvingen in miljardenomvang. Amerika streeft zo snel mogelijk naar een bottom out van de crisis zonder dat het financiële stelsel afbreekt. De overheid laat hypotheekverschaffers niet failliet gaan, maar ze lijden flinke verliezen. De economie moet zo snel mogelijk door het dal. Volgens Van Arkel is een crisis in Europa dieper en langduriger omdat de sociale stelsels in Europa minder flexibel zijn. De overheidsuitgaven liggen hoger, de sociale stelsels zijn zwaarder en de vakbonden zijn een sterke factor. Europese regeringen kunnen een crisis iets langer afhouden door het publieke uitgavenpeil kunstmatig hoog te houden. Maar daarna valt de bijl. De werkloosheid loopt sneller op, ook de inflatie en het overheidstekort. Tot voor kort kon de eurozone negatieve indicatoren verschuilen achter een sterke Duitse exportsector. Maar dat is nu voorbij. De productie daalt en de werkloosheid stijgt. Prijsstijgingen worden gepareerd door looneisen van vakbonden of automatische regelingen voor koopkrachtcompensatie. Dat drukt de prijzen nog verder omhoog. Nu er een globale inflatie-injectie is door stijgende olieprijzen bestaat in Europa het gevaar van stagflatie. Economische stagnatie gaat dan gepaard met stijgende inflatie. Dit laatste aspect is rampzalig voor de Belgische economie. De federale begroting kan stijgende inflatie met automatische koopkrachtcompensaties, hogere sociale uitgaven door stijgende werkloosheid en een stijgende rente op haar staatsschuld van 85 % van het BNP niet dragen. De ruggengraat zal kraken, zeker in tijden van politieke crisis. De huidige situatie lijkt op die van 1978, na de mislukking van het Egmontpact. Nu is het zelfs erger. Met de euro kan België zich niet uit de economische crisis devalueren. Verhofstadt heeft de pot verteerd en Leterme erfde een failliete federale staat. (T) DE AUTEUR IS SCHRIJVER EN COLUMNIST. HIJ WOONT EN WERKT IN DE VERENIGDE STATEN.Derk Jan Eppink