Dat onze minister van Financiën creatief uit de hoek durft te komen bij het interpreteren van de fiscale wetgeving in het voordeel van de belastingplichtigen, is al geweten. Hij heeft het succes van bedrijfswagens een doorslaggevende duw in de rug gegeven, door de wet naast zich neer te leggen en te aanvaarden dat het voordeel van alle aard dat uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen voor privédoeleinden voortvloeit, slechts op een minimale basis berekend moet worden.
...

Dat onze minister van Financiën creatief uit de hoek durft te komen bij het interpreteren van de fiscale wetgeving in het voordeel van de belastingplichtigen, is al geweten. Hij heeft het succes van bedrijfswagens een doorslaggevende duw in de rug gegeven, door de wet naast zich neer te leggen en te aanvaarden dat het voordeel van alle aard dat uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen voor privédoeleinden voortvloeit, slechts op een minimale basis berekend moet worden. Volgens de wet moet je het voordeel berekenen op basis van het werkelijke aantal gereden privékilometers (die van het woon-werkverkeer incluis). Maar de minister kent de verzuchtingen van zijn kiezers-potentieel. En dus liet hij enkele jaren geleden toe, in een nota bene door hem zelf ondertekende circulaire, dat men het voordeel van alle aard mag berekenen op basis van slechts 5000 privékilometers per jaar als de afstand tussen de woonplaats en de vaste plaats van tewerkstelling niet meer bedraagt dan 25 kilometer, en op basis van 7500 privékilometers als die afstand hoger is. Of het privégebruik in werkelijkheid hoger of zelfs vele malen hoger is, heeft geen enkel belang. De fiscale afrekening gebeurt, tot genoegen van al wie over een bedrijfswagen beschikt, op basis van slechts, naargelang van het geval, 5000 of 7500 kilometer per jaar. Aan dat privégebruik van bedrijfswagens blijken nog meer voordelen verbonden te zijn. De fiscale afrekening gebeurt op basis van een forfaitair kilometertarief. Het aantal privékilometers (in de praktijk beperkt tot 5000 of 7500 per jaar) wordt vermenigvuldigd met een forfaitair vastgestelde kilometerprijs. Die staat uitsluitend in functie van de fiscale paardenkracht van de wagen. Voor een wagen van bijvoorbeeld 10 pk bedraagt het tarief 0,3169 euro per kilometer. Bij 11 pk is dat 0,3474 euro. Of een wagen al dan niet uitgerust is met 'opties' heeft geen enkel belang. Nu weet iedereen dat 'opties' een wagen van bijvoorbeeld 10 pk binnen de kortste keren veel duurder kunnen maken dan het basismodel van een wagen van 11 pk. Daarover ondervraagd, heeft de minister van Financiën onlangs bevestigd - overigens op basis van de bestaande wettekst zeer terecht - dat dit allemaal niet relevant is: enkel het aantal fiscale pk bepaalt de hoogte van het kilometertarief. Voor werkgevers die hun personeelsleden extra willen verwennen, ligt hier een mooie opportuniteit voor het rapen: bijkomende opties (lederen zetels, metaalkleur, enzovoort) kosten hun werknemers geen cent belasting meer. Zolang men er maar op let hetzelfde aantal pk te houden. Zoals gezegd, wordt het belastbaar voordeel van alle aard berekend door het aantal privékilometers te vermenigvuldigen met het forfaitaire kilometertarief dat afhangt van het aantal fiscale pk van de wagen. De wet zegt, dat het aldus berekende voordeel verminderd mag worden met de 'bijdrage' van de verkrijger van het voordeel. Stel bijvoorbeeld dat een werknemer per 'privé' gereden kilometer een bijdrage moet betalen van 0,20 euro. Het belastbaar voordeel van alle aard mag dan verminderd worden met 0,20 euro per kilometer die voor privédoeleinden afgelegd wordt. Met dien verstande dat men consequent moet blijven. In de praktijk staat de fiscus toe dat het voordeel van alle aard slechts berekend wordt uitgaande van - naargelang van het geval - 5000 of 7500 privékilometers per jaar. Het is dan niet meer dan logisch dat de aftrek van de bijdrage die de genieter per kilometer betaalt, ook beperkt wordt tot de bijdrage die voor de eerste 5000 of 7500 kilometers wordt betaald. Die bijdrage hoeft overigens niet de vorm aan te nemen van een 'prijs per kilometer'. Die kan er bijvoorbeeld ook in bestaan dat de genieter een aantal tankbeurten voor zijn rekening neemt. Opnieuw lijkt het logisch dat de aftrek van deze bijdrage verhoudingsgewijs beperkt wordt tot de tankbeurten die slaan op de privékilometers die in de praktijk effectief in rekening worden gebracht (respectievelijk 5000 of 7500 km per jaar). In antwoord op een parlementaire vraag ging de minister van Financiën onlangs nog een stap verder. Wat als de genieter van het voordeel een 'optie' in verband met de ter beschikking gestelde bedrijfswagen zelf bekostigt? Is dit ook een bijdrage die afgetrokken mag worden van het belastbaar voordeel van alle aard? De minister antwoordde dat dit volgens hem inderdaad het geval is. Zelfs als de betaling bijvoorbeeld niet gebeurt aan de werkgever die de bedrijfswagen ter beschikking stelt, maar wel rechtstreeks aan de leasingmaatschappij die de wagen aan de werkgever in leasing heeft gegeven. Tot wat dit allemaal moet leiden, is op dit ogenblik nog onduidelijk. Zo rijst de vraag of dergelijke bijdragen zonder beperking in aftrek mogen worden gebracht van het belastbaar voordeel van alle aard, ook ingeval dit slechts berekend wordt op een forfaitaire basis van, naargelang van het geval, 5000 of 7500 km per jaar. Afwachten wat de minister daarop in een (misschien) volgende creatieve bui antwoorden zal. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van Dyck