Cobelfret heeft in de maritieme sector een naam als een klok. Het bedrijf scoort nu ook op fiscaal gebied. Cobelfret gaat de fiscale geschiedenisboeken in als het bedrijf dat de fiscus op de knieën kreeg op het punt van de aftrek van definitief belaste inkomsten. In de fiscale 'hall of fame' krijgt het een plaats naast giganten als Brepols dat zijn naam al decennialang verbonden ziet met de zogenaamde Brepols-doctrine die uitlegt waar de toegelaten belastingontwijking eindigt, en de verboden belastingontduiking begint.
...

Cobelfret heeft in de maritieme sector een naam als een klok. Het bedrijf scoort nu ook op fiscaal gebied. Cobelfret gaat de fiscale geschiedenisboeken in als het bedrijf dat de fiscus op de knieën kreeg op het punt van de aftrek van definitief belaste inkomsten. In de fiscale 'hall of fame' krijgt het een plaats naast giganten als Brepols dat zijn naam al decennialang verbonden ziet met de zogenaamde Brepols-doctrine die uitlegt waar de toegelaten belastingontwijking eindigt, en de verboden belastingontduiking begint. Cobelfret is nu voor eeuwig en altijd verbonden met de strijd rond de juiste toepassing van de Europese moeder-dochterrichtlijn. Die wil dat dividenden die afkomstig zijn van dochtervennootschappen minstens in een Europese context niet dubbel worden belast. Dividenden worden normaal gezien belast in hoofde van de vennootschap die ze uitkeert. Europa wil niet dat ze nog eens worden belast in hoofde van de moedervennootschap die ze ontvangt. In België kent men al decennialang dezelfde bezorgdheid. De aftrek van wat men de definitief belaste inkomsten noemt, moet die dubbele belasting tegengaan. De definitief belaste inkomsten zijn de dividenden die de Belgische vennootschap ontvangt van een andere vennootschap, en die bij die andere vennootschap al de vennootschapsbelasting hebben ondergaan. Deze dividenden worden weliswaar in eerste instantie toegevoegd aan het fiscaal resultaat van de vennootschap die ze ontvangt. Maar zij mag deze ontvangen dividenden vervolgens bijna integraal in aftrek brengen. Uiteraard voor zover aan alle voorwaarden voldaan is. De vraag is evenwel of de manier waarop ons land dubbele economische belasting van dividenden tracht te vermijden, beantwoordt aan de Europese imperatieven. Daarover bestond van bij het begin grote twijfel. Een eenvoudig voorbeeld kan dit verduidelijken. Neem een vennootschap die geen dividenden van dochtervennootschappen ontvangt, en die in haar gewone exploitatie een verlies lijdt van 100. Dat verlies is dan overdraagbaar naar de volgende belastbare tijdperken. Het kan gecompenseerd worden met de winsten die de vennootschap in de toekomst maakt. Stel nu dat dezelfde verlieslijdende vennootschap wel dividenden van een dochtervennootschap ontvangt. Stel dat deze dividenden 100 bedragen. Het verlies van het boekjaar (100) wordt dan gecompenseerd met de ontvangen dividenden (van eveneens 100). Er is dan geen winst, maar ook geen verlies; en dus ook geen overdraagbaar verlies. De vennootschap kan de ontvangen dividenden, bij gebrek aan fiscaal resultaat, ook niet in aftrek brengen; want die aftrek is overeenkomstig de Belgische wetgeving slechts mogelijk als er een positief fiscaal resultaat voorhanden is. Het gevolg is dat de vennootschap toekomstige winsten niet kan compenseren met overgedragen verliezen. De ontvangen dividenden hebben immers de exploitatieverliezen van het boekjaar geneutraliseerd, waardoor er geen over te dragen verlies meer is. Het besluit is duidelijk: de vennootschap lijdt een fiscaal nadeel. Als zij geen dividenden ontvangt, heeft zij een fiscaal overdraagbaar verlies van 100. Als zij wel dividenden ontvangt, is er geen fiscaal overdraagbaar verlies meer. De dividenden worden in deze laatste hypothese onrechtsteeks dus toch belast. Terwijl de Europese moeder-dochterrichtlijn gebiedt dat zij in hoofde van de ontvangende vennootschap vrij van belasting moeten zijn. Cobelfret heeft deze evidente schending van het Europese recht, bij de rechter aangeklaagd. Het bedrijf was niet het enige. Maar het haalt de fiscale geschiedenisboeken omdat het als eerste bij het Europese Hof van Justitie gelijk haalt. Het Hof heeft voor recht gezegd, dat de Belgische regeling inzake de aftrek van definitief belaste inkomsten - wat iedereen kon voorspellen - wel degelijk in strijd is met de Europese moeder-dochterrichtlijn. De Belgische regering heeft de schade nog proberen te beperken door aan het Hof te vragen de gevolgen van zijn uitspraak in de tijd te beperken. Maar het Hof is daar niet op ingegaan. Verwonderlijk is dat niet. Een dergelijke beperking wordt slechts zeer zelden toegestaan. Zij vereist onder meer dat de betrokken lidstaat te goeder trouw is. Het Hof zegt niet dat België niet te goeder trouw zou zijn geweest. Maar iedereen die deze materie een beetje heeft gevolgd, weet dat de Belgische regering boter op het hoofd heeft. Begin de jaren negentig van vorige eeuw, toen België de moeder-dochterrichtlijn implementeerde, is in de fiscale vakpers duidelijk gewaarschuwd dat ons land verkeerd bezig was. Maar, zoals dat nogal eens het geval is, heeft het daar niets mee gedaan. Het krijgt nu de (dure) rekening gepresenteerd. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.