Onlangs bleek dat de Chinese economie de jongste tijd op jaarbasis met 11,5 % groeit. Een eenvoudig rekensommetje leert dat aan zulk ritme de omvang van de Chinese economie op iets meer dan 6 jaar verdubbelt en dat binnen pakweg een decennium die Chinese economie reeds de grootste economie van de wereld zou zijn (*). Eind 2006 prijkte de Amerikaanse economie nog steeds op één met een aandeel van 19,7 % in de wereldeconomie. Met 15,1 % ging China eind vorig jaar al nipt de eurozone (14,7 %) vooraf. Voor de volledigheid: Japan en India delen de derde plaats met een aandeel in de wereldeconomie van elk 6,3 %.
...

Onlangs bleek dat de Chinese economie de jongste tijd op jaarbasis met 11,5 % groeit. Een eenvoudig rekensommetje leert dat aan zulk ritme de omvang van de Chinese economie op iets meer dan 6 jaar verdubbelt en dat binnen pakweg een decennium die Chinese economie reeds de grootste economie van de wereld zou zijn (*). Eind 2006 prijkte de Amerikaanse economie nog steeds op één met een aandeel van 19,7 % in de wereldeconomie. Met 15,1 % ging China eind vorig jaar al nipt de eurozone (14,7 %) vooraf. Voor de volledigheid: Japan en India delen de derde plaats met een aandeel in de wereldeconomie van elk 6,3 %. Sedert Deng Xiaoping eind de jaren 1970 de vrije markt voorzichtig introduceerde in de Chinese huishouding kreeg het woord globalisering geleidelijk aan een andere dimensie. De Aziatische reus zoog niet enkel vele landen in zijn marktzog mee, maar leverde enkele honderden miljoenen aan nieuwe en potentiële arbeidskrachten voor de wereldeconomie. De opkomst van Japan, Zuid-Korea en andere Aziatische tijgers deed ons indertijd verrast opkijken. Nu blijkt dat het om vrij onschuldige stormpjes ging. China veroorzaakt een tsunami. Zeker in combinatie met het ontwaken van die andere Aziatische reus, India, zorgt de zelfs maar gedeeltelijke vrijmaking van marktkrachten in China ervoor dat de wereldeconomie er definitief en fundamenteel anders uitziet. En toch durven we er gif op innemen dat het niet zo'n vaart zal lopen met de expansie van de Chinese economie zoals hogerop aangegeven. De Chinese economie vertoont veel gelijkenis met een locomotief die voortraast in een bedding die niet gemaakt is voor dergelijke snelheden. Een HST op een Bokrijkspoor als het ware. De rechtvaardiging van deze ietwat overtrokken vergelijking ligt bij het feit dat, veel meer dan de populaire media ons oplepelen, de Chinese economie en maatschappij met huizenhoge structurele problemen opgezadeld zitten. We zetten de vijf meest prangende op een rijtje. De lijst kan zonder problemen worden verdubbeld. De ecologische nachtmerrie. 16 van de 20 meest vervuilde grootsteden van de wereld bevinden zich in China. Pan Yue, de viceminister van Milieu, noemt het Chinese groeimirakel een "mythe". De kost van de ecologische degradatie beloopt volgens hem ten minste 8 % van het bbp. De demografische tijdbom. Het Westen werd rijk voor het oud werd. China zal oud worden lang voor het echt rijk is. Rond 2025 neemt de vergrijzing ergere vormen aan in China dan in het Westen. China is helemaal niet voorbereid op deze demografische ontwikkeling. Officieel ligt de overheidsschuld op 25 % van het bbp. In de realiteit bevindt die schuldratio zich veeleer in de buurt van de 100 %. Het sociale drama. Terwijl de inkomensongelijkheid stilaan grove vormen aanneemt, stijgt de werkloosheid - vooral in de steden. De openbare gezondheidszorg bereikt slechts 15 % van de Chinezen. Pensioenvoorzieningen bereiken 50 % van de stadsbevolking en nauwelijks 10 % van de plattelandsbevolking. De economische misoriëntering. Hoewel aanzienlijke vooruitgang werd geboekt in de sanering van de financiële sector en de ontmanteling van de verlieslatende staatsbedrijven, blijven die problemen ontzaglijk. China gebruikt kapitaal op een erg inefficiënte manier. Terwijl India veel meer de kaart van het hightech trekt, blijft China een grote fabriek. Landen die nog goedkoper dan China kunnen produceren, steken de neus al volop aan het venster. Het democratisch deficit. China blijft een politieke dictatuur. Als de Communistische Partij moet kiezen tussen maatregelen om haar eigen hachje te beveiligen of maatregelen ter ondersteuning van het sociaaleconomische gebeuren, kiest zij zonder dralen voor de eerste. Burgerprotest blijft een erg hachelijke bezigheid. Machtswillekeur en corruptie tieren meer dan ooit welig. Pakken de Chinese autoriteiten één of zelfs twee van deze structurele problemen niet, of erger nog, foutief aan, dan zal dat niet direct het groei-elan van de economie breken. Al zal het langetermijngroeipad sowieso flink onder de 10 % per jaar komen. Als ze op verscheidene punten uit de bocht gaan, dan zal de locomotief zware averij oplopen. Vooruitstormen wordt dan amechtig voortploeteren. Johan Van Overtveldt is algemeen directeur VKW (*) De omvang van het geheel van de economie is nog iets helemaal anders dan het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking. Wat dit laatste betreft, is het zo goed als uitgesloten dat China zelfs tegen het einde van de 21ste eeuw zelfs maar in de buurt van het Amerikaanse gemiddelde inkomen zou komen. Johan Van Overtveldt