Laat het woord 'China' in een gezelschap van economen vallen, en je krijgt zenuwachtig geschuifel op de stoelen. Niet zozeer het onmiddellijke gevaar voor een crisis baart hen zorgen, wel het grote aantal onbekende factoren in de Chinese economie. Die zorgen ervoor dat economen zich moeilijk een beeld kunnen vormen van de ware economische toestand van China.
...

Laat het woord 'China' in een gezelschap van economen vallen, en je krijgt zenuwachtig geschuifel op de stoelen. Niet zozeer het onmiddellijke gevaar voor een crisis baart hen zorgen, wel het grote aantal onbekende factoren in de Chinese economie. Die zorgen ervoor dat economen zich moeilijk een beeld kunnen vormen van de ware economische toestand van China. Vooral over de schuldgraad circuleren de meest uiteenlopende cijfers. De officiële teller geeft aan dat de Chinese overheidsschuld op 20 % van het bbp staat. Maar de grote infrastructuurwerken waarmee China zich uit de economische crisis heeft getrokken, zijn gefinancierd door de lokale overheden en daarover bestaan nauwelijks betrouwbare cijfers. Schattingen voor de schuldgraad bij de lokale overheden variëren van 45 % tot 70 % van het bbp. Evenmin is geweten wat de omvang is van de slechte kredieten bij de banken: veel infrastructuurprojecten zullen nooit voldoende geld genereren om de leningen af te lossen. Tot slot weten we ook niet zoveel over de financiële structuur van de staatsbedrijven: in hoeverre worden ze gefinancierd door de overheid via gesubsidieerde inputprijzen (grondstoffen, energie) en te goedkope niet-marktconforme financiële voorwaarden? Dat alles hoeft weliswaar niet tot een grote crisis te leiden. Het unieke karakter van het Chinese model maakt de kans op een typische groeilandencrisis klein. Om te beginnen, zit China op een valutareserve van maar liefst 2000 miljard dollar en telt het weinig buitenlandse schulden. China hoeft dus geen beroep te doen op buitenlands kapitaal om de economie te financieren, een groot verschil met bijvoorbeeld landen zoals Argentinië, Rusland of Thailand, die aan de vooravond van hun crisis hun buitenlandse leningen niet meer konden betalen. China stuurt ook de wisselkoers, dus plotse en forse schommelingen van de yuan zijn uitgesloten. Forse wisselkoersschommelingen lagen in het verleden ook aan de basis van crisissen in sommige groeilanden. Daarnaast heeft de Chinese spaarder weinig alternatieven voor zijn spaargeld behalve het op een laagrentende spaarrekening bij een Chinese bank te parkeren. Op die manier is een bankrun weinig waarschijnlijk en kunnen banken moeilijk over de kop gaan. Bovendien is de staat de hoofdaandeelhouder van de meeste banken, wat het herkapitaliseren of het samenvoegen van een slechte en een goede bank gemakkelijker maakt. Tot slot kan de Chinese federale overheid de schulden van de lokale overheden overnemen en de banken herkapitaliseren. De schuldgraad van de Chinese overheid zal dan misschien tot 100 % van het bbp stijgen, maar doordat die schulden volledig via de Chinese spaarder aan een lage rente gefinancierd kunnen worden, stelt zo'n schuldgraad voor China niet echt een probleem. Toch valt te verwachten dat zo'n grote herschikking niet van een leien dakje zal lopen en tot een aardige woordenwisseling zal leiden tussen de regionale overheden en Peking. Ten tweede zal China de truc die het in 2008-2010 toepaste moeilijk kunnen herhalen. De schuldgraad wordt stilaan te hoog om via met schuld gefinancierde infrastructuurwerken het bbp een stevige boost te geven. Bovendien zijn de meest voor de hand liggende infrastructuurwerken al gebeurd of lopende en zal het economische en maatschappelijke rendement van extra infrastructuurwerken afnemen. Hoge groeicijfers via exportgroei realiseren, wordt eveneens moeilijk met een wereldeconomie op halve snelheid en een demografie die zich stilaan tegen China keert. Daardoor zal het land aan concurrentiekracht inboeten door hogere lonen. Rest dan de Chinese consument de taak om de rol van groeimotor over te nemen. Die consument is dankzij de hogere lonen duidelijk meer aan het besteden, maar de groei en het aandeel van de consument in de totale economie (slechts een goede 30 % van het bbp) is te laag om de te verwachten lagere groei in export en infrastructuurwerken te compenseren. Dat alles zal ertoe leiden dat het Chinese groeiritme de komende jaren zal afnemen. Groeicijfers van meer dan 10 % lijken ons onwaarschijnlijk, wellicht zal het langetermijngroeipad zich dan ergens tussen 6 en 8 % situeren. (C) DE AUTEUR IS ECONOOM BIJ PETERCAM. Stijn DecockDe schuldgraad van China wordt te hoog om via met schuld gefinancierde infrastructuurwerken het bbp een boost te geven.