Een tweede 'tour' bestaat in België niet. Of beter gebeurt niet via een verkiezing, maar via de achterkamerpolitiek, die nu moet uitmaken wie het met wie zal doen. Coalitiepartners die voor het hoofd werden gestoten tijdens de verkiezingsperiode kunnen nu hun revanche nemen. Vele politici ageren daarbij vooral in functie van het eigenbelang, ten hoogste in dat van het partijbelang.
...

Een tweede 'tour' bestaat in België niet. Of beter gebeurt niet via een verkiezing, maar via de achterkamerpolitiek, die nu moet uitmaken wie het met wie zal doen. Coalitiepartners die voor het hoofd werden gestoten tijdens de verkiezingsperiode kunnen nu hun revanche nemen. Vele politici ageren daarbij vooral in functie van het eigenbelang, ten hoogste in dat van het partijbelang. De uitdagingen voor België in de komende jaren zijn nochtans enorm. De Belgen verloren twintig procent marktaandeel in zes jaar, vooral omdat de loonkosten per eenheid sneller stegen dan bij de handelspartners. De chemiesector wordt geconfronteerd met de hoogste loonkosten van de Europese Unie en de automobielsector probeert met alle hens aan dek net onder Duitsland, het duurste land van Europa, te blijven. Economen stellen dat de economische groei de jongste jaren vooral werd gedragen door de 5,7 miljard euro die dankzij de fiscale amnestie naar België terugvloeide en een boom in de bouwactiviteit veroorzaakte. De bouwactiviteit, voorloper van de economische conjunctuur, stagneert en economisten voorspellen dat de economische groei in België lager zal liggen dan in de ons omringende landen. De werkgelegenheidsgraad steeg van 59,3 % in 1999 naar 62 % in 2006. In die periode kwamen er, volgens de Nationale Rekeningen, 290.000 jobs bij (130.000 in 1999-2003 en 160.000 in 2003-2007). Een vooruitgang, maar die ons nog mijlenver af houdt van de Europese doelstelling tegen 2010 van 70 %. Acht procentpunt meer aan het werk betekent ongeveer een half miljoen mensen die nu niet aan het werk zijn, integreren in de arbeidsmarkt. Voeg daaraan toe dat van die 62 %, 30 % (dus 18 % van de totale actieve bevolking) werkzaam is bij de overheid, tegenover 17 tot 20 % (dus 11 tot 13 % van de totale bevolking op actieve leeftijd) in de andere Europese landen. De andere kant van de medaille is natuurlijk de werkloosheid. Van de ongeveer vijfhonderdduizend werklozen is er bijna de helft dat al langer dan een jaar. De verhouding tussen langetermijnwerklozen en totale werkloosheid is in België het hoogst van de EU-15. Eén op zeven kinderen in Wallonië heeft nog nooit papa, mama of opa aan het werk gezien (althans niet in het officiële circuit). Maar ook in Vlaanderen heeft één op veertien kinderen dat nog nooit gezien. Binnen de groep werklozen bestaat bijgevolg een groot gedeelte voor wie de arbeidsmarkt een abstract begrip is geworden. Advocaat van de duivel. Maar laat mij advocaat van de duivel spelen. Voor 40 % van de werklozen staat gaan werken niet gelijk met meer verdienen. Daarvoor opstaan, zich kleden en bovendien het gras van de buur niet meer kunnen afrijden of andere klusjes uitvoeren, is toch een te dure prijs in het enige land van Europa waar werkloosheidsvergoedingen onbeperkt zijn in de tijd en dat na Italië, volgens de Oeso, het land is met het meeste zwartwerk. Maar liefst 21 % van onze economie is informele economie. Met een overbevolkte en inefficiënte belastingadministratie erbovenop waar op wereldniveau alleen Benin en Brazilië het nog minder efficiënt doen. België is dus een sociaal en fiscaal paradijs voor werklozen. Ondertussen kreunen werkgevers zowel in het Zuiden als het Noorden van het land door een gebrek aan arbeidskrachten. Naar schatting zijn er in België 200.000 openstaande betrekkingen; 55.000 in Wallonië en 145.000 in Vlaanderen. Als wij de 200.000 langetermijnwerklozen uit de werkloosheidsstatistieken halen, die eerder behoren tot de sociale politiek in plaats van tot het arbeidsmarktbeleid, zouden we theoretisch een situatie van totale tewerkstelling kennen. Maar de inadequate opleiding, samen met ons fiscaal en sociaal systeem, veroorzaakt een mismatch tussen vraag en aanbod. Immers, 52 % van de werklozen heeft zijn secundaire studies niet afgemaakt en 93 % van de Brusselse werklozen is niet tweetalig. Zich omscholen in een fiscaal en sociaal paradijs kan enkel als er een stok achter de deur is. Omscholen of een werk aanvaarden, wordt dan gezien als een sanctie om aan een andere sanctie (geschrapt worden van werkloosheidssteun) te ontsnappen. De werkmotivatie laat zich raden. Mentaliteitskentering. Een maatschappij waar niet-werken het model is, is verder gedoemd om de concurrentiestrijd te verliezen en laat niet toe op termijn de welvaart en de vergrijzing te financieren. We hebben nood aan een mentaliteitskentering waarbij rechten en plichten samengaan. Wie niet wil of kan werken is volgens de definitie van het Internationaal Arbeidsbureau niet werkloos. Zo iemand moet zijn plaats vinden binnen de sociale politiek, waar andere regels en vergoedingen gelden. De mentaliteitskentering moet zich vertalen in een gewijzigde arbeidsreglementering. Wie wil en kan werken, kan zich niet langer beroepen op de wet die stelt dat iemand een job kan weigeren als hij vindt dat dit niet voldoende betaalt (voor zover het aanbod conform is aan de cao's ter zake). Werkloosheidsvergoedingen moeten beperkt worden in de tijd. Zelfs zes op de tien Walen vindt dat ook, slechts 25 % is daartegen en 17 % spreekt zich niet uit (enquête La Libre Belgique 1 juni 2007). Deze enquête breekt niet alleen het cliché van de (luie) Walen, maar toont aan dat de bevolking soms meer lucide is dan de beleidsmakers. Geen enkele partij in Wallonië had dit namelijk in haar partijprogramma. Om deze noodzakelijke hervormingen te realiseren hebben we geen verlammende tripartite nodig, maar een regering gekenmerkt door charismatische staatsmannen (in plaats van politici) en een proactieve sterke oppositie. Alleen zo kan een democratie noodzakelijke hervormingen erdoor duwen en de fase van de intentieverklaringen overschrijden. Nu maar hopen dat het volgende regeringsakkoord deze doelstellingen opneemt. De auteur is secretaris-generaal van het Vlaamse Departement Economie, Wetenschappen en Innovatie. Hij schrijft deze column in persoonlijke naam. Reacties: blikvanaernaoudt@trends.be Rudy Aernoudt