Premier Guy Verhofstadt (VLD) heeft zijn 'tien werven' gelanceerd, een samenvatting van wat de regering nog wil doen in 2006 en 2007. Het herstel van het concurrentievermogen is de eerste werf. Terecht, want België loopt in de cao-periode 2005-2006 een achterstand op van 2,1 à 2,5 % op de drie buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland. Vooral in die twee laatste landen werden loonakkoorden gesloten die onder de inflatie liggen. En dat terwijl in België de tikker van de automatische loonindexering rustig verder tikt.
...

Premier Guy Verhofstadt (VLD) heeft zijn 'tien werven' gelanceerd, een samenvatting van wat de regering nog wil doen in 2006 en 2007. Het herstel van het concurrentievermogen is de eerste werf. Terecht, want België loopt in de cao-periode 2005-2006 een achterstand op van 2,1 à 2,5 % op de drie buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland. Vooral in die twee laatste landen werden loonakkoorden gesloten die onder de inflatie liggen. En dat terwijl in België de tikker van de automatische loonindexering rustig verder tikt. Sinds enkele jaren hebben enkele (arbeiders)sectoren hulp gezocht in zogenaamde all-inakkoorden. Het zijn akkoorden die een compensatiemechanisme voorzien wanneer de inflatie hoger uitvalt dan aanvankelijk verwacht (zie blz. 20). Soms wordt dat compensatie-effect beperkt door een bovengrens. Bij de bedienden vinden deze akkoorden nauwelijks ingang. En daar lijkt niet onmiddellijk verandering in te komen (zie blz. 18). Verhofstadt schuift de all-inakkoorden nu naar voren als een wondermiddel. Ze zijn dat echter helemaal niet. Ze zijn alleen een antwoord op een hogere inflatie, en niet op de matige akkoorden in Duitsland. Een aanpassing van de loonnorm is dringender. En we hebben nood aan creatievere pistes. Wat is een basisprobleem van een doorgedreven loonmatiging? Dat ook de lagelonentrekkers er de prijs van betalen. En ze hebben nu al weinig marge. Dat kan verholpen worden door de automatische indexering en de eventueel afgesproken loonsverhogingen nog alleen toe te passen op een basisloon. Al wie meer verdient, krijgt alleen een verhoging in centen. Een voorbeeld. Nemen we als basisloon 1000 euro. De indexering bedraagt 2 % en de reële loonsverhoging 1 %. Dat betekent samen 3 %. Of 30 euro loonsverhoging. Al wie meer verdient, krijgt ook maar 30 euro. Iemand met een salaris van 3000 euro krijgt dan slechts 1 % loonsverhoging, of 1 % minder dan de indexering. Voor een hele sector zou de kostprijs van een dergelijk akkoord wel eens onder het indexniveau kunnen blijven. In veel sectoren worden loonsverhogingen nu al in centen gegeven. Wel nieuw is dat dit ook zou gebeuren met de indexering. Het grote voordeel van een dergelijk systeem is dat het tegelijk zorgt voor de versterking van de concurrentiepositie als voor het behoud van de koopkracht van de lage lonen. Nadeel is dat de loonspanning kleiner wordt en dat betere verdieners minder gemotiveerd worden. Voor een tijdelijke ingreep - tot de loonhandicap hersteld is - moet dit kunnen. Een ander nadeel is echter dat lage lonen relatief duurder worden en dat zou de tewerkstelling wel eens niet ten goede kunnen komen. Dat moet de regering ongedaan maken via flankerende maatregelen waardoor de loonkost van de lage lonen nog extra naar beneden wordt gehaald. We legden dit scenario vorige week voor aan enkele onderhandelingsspecialisten. Niemand had er zware fundamentele bezwaren tegen, maar niemand voelde zich geroepen om dit zelf te lanceren. Afgelopen weekend pakte Spirit uit met dit voorstel. Het is typisch dat net Spirit - als jonge, kleinere partij - wel eens buiten de lijnen durft te denken. Dat hebben we nodig, want met de klassieke recepten zullen we niet ver genoeg geraken. België heeft nood aan creatieve breinen, ook in de Wetstraat en in het sociaal overleg. Guido Muelenaer