De auteur is advocaat en hoofdredacteur van 'Fiscoloog'.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van 'Fiscoloog'. De BTW-aftrek is een van de essentiële mechanismen van het BTW-stelsel. Hij zorgt ervoor dat de BTW - in de fase die aan het eindverbruik voorafgaat - in principe neutraal blijft. Neutraal, in de zin dat de BTW (behoudens in uitzonderlijke gevallen) tot net voor de fase van het eindverbruik geen invloed heeft op de kostprijs van de goederen en diensten. Aftrek. De BTW-aftrek is gestoeld op de idee dat een BTW-plichtige in principe altijd recht heeft op recuperatie van de BTW die hij zelf aan zijn eigen leverancier of dienstverrichter heeft betaald. Die recuperatie gebeurt in de regel door deze BTW af te trekken van de BTW die de belastingplichtige wegens zijn eigen leveringen of diensten aan de schatkist is verschuldigd. Vandaar de notie BTW-aftrek. Een eenvoudig voorbeeld. Stel schoenhandelaar A die - met het oog op de verkoop ervan - een paar schoenen aankoopt tegen 100 euro. Hij betaalt daarbovenop aan zijn leverancier 21 euro BTW. Hij verkoopt de schoenen door voor 150 euro plus 31,50 euro BTW (21 % op 150 euro). Schoenhandelaar A moet dus aan de schatkist 31,50 euro BTW betalen. Maar aangezien hij recht heeft op recuperatie van de BTW die hij zelf heeft betaald (21 euro), mag hij deze BTW in aftrek brengen van de BTW die hij aan de schatkist is verschuldigd. Bijgevolg moet hij nog slechts (31,50 - 21 =) 10,50 euro aan de schatkist afdragen. Het verschil (21 euro) heeft hij opnieuw op zak. Het vormt geen kostprijs meer. Termijn. De BTW-aftrek gebeurt in beginsel onmiddellijk. Een BTW-plichtige mag in zijn aangifte de BTW aftrekken die hij in de voorbije periode heeft betaald. Maar soms kan de aftrek niet onmiddellijk gebeuren. Bijvoorbeeld, omdat de BTW-plichtige (nog) niet in het bezit is van een regelmatige factuur. De BTW-aftrek gaat dan (nog) niet verloren. Hij kan later worden uitgeoefend. Tot voor kort was dat gedurende vijf jaar. Enkele jaren geleden waren er signalen dat die termijn zou worden beperkt tot drie jaar. De wetgever reduceerde immers de termijn waarbinnen teruggaaf van de belasting kan worden gevraagd van vijf naar drie jaar. Maar vreemd genoeg bleef het Koninklijk Besluit waarin de aftrek van de BTW wordt geregeld, en waarin ook te lezen staat binnen welke termijn het recht op aftrek van de BTW kan worden uitgeoefend, onaangeroerd bestaan. De termijn bleef dus vijf jaar. Drie. Net voor de zomervakantie is dat Koninklijk Besluit alsnog aangepast. Het zegt nu dat de aftrek van de BTW nog slechts kan worden uitgeoefend tot het einde van het derde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan. Neem bijvoorbeeld de BTW die in de loop van dit jaar (2003) wordt betaald. Normaal zal die dus in aftrek kunnen worden gebracht tot eind 2006. Conform het oude stelsel zou de aftrek in het beste geval nog tot in 2008 hebben kunnen gebeuren. En misschien zelfs nog later. In het oude stelsel volstond het immers dat de aftrek was aangevraagd binnen de termijn van vijf jaar. Tijdig aangevraagd, kon hij nadien nog geldig gebeuren. In het nieuwe stelsel is van zo'n aanvraagprocedure geen sprake meer. Het recht op aftrek moet nu effectief zijn uitgeoefend binnen de nieuwe termijn van drie jaar. Betwistingen. De beperking van de periode waarin de aftrek van de BTW kan gebeuren, zal onvermijdelijk tot moeilijke en principiële betwistingen aanleiding geven. Het probleem van de aftrek van de BTW kan immers niet los worden gezien van zijn tegenhanger, de verschuldigdheid van de BTW. Tot voor enkele jaren liepen de termijnen waarbinnen de BTW kan worden nagevorderd en die waarbinnen de BTW kan worden afgetrokken gelijk. De termijn was telkens vijf jaar. Enkele jaren geleden heeft de wetgever beslist de termijn waarbinnen de BTW kan worden nagevorderd, in het algemeen weliswaar te beperken tot drie jaar, maar in een aantal gevallen te behouden op vijf jaar, en in sommige gevallen zelfs te verlengen tot zeven jaar. De termijn waarbinnen de BTW kan worden afgetrokken, is nu vastgesteld op drie jaar. Zonder uitzondering. Dit betekent dat er een grote discrepantie kan optreden tussen verschuldigde BTW en aftrekbare BTW. Stel bijvoorbeeld een BTW-plichtige die goederen aankoopt in een andere EU-lidstaat en die goederen laat overkomen naar België. Hij zal dan toepassing moeten maken van het stelsel van de intracommunautaire verwervingen. Dit wil zeggen dat hij (als afnemer) zelf de Belgische BTW moet voldoen en dat hij deze BTW moet opnemen in zijn periodieke BTW-aangifte. Veronderstel dat hij dit om de een of andere reden niet heeft gedaan. In het slechtste geval zal deze BTW nog gedurende zeven jaar kunnen worden nagevorderd. Stel dat deze navordering in jaar 'zes' gebeurt. Normaal gezien heeft een BTW-plichtige recht op aftrek van de BTW die hij betaalt. Maar dat recht zal hem nu worden ontzegd. Op het ogenblik waarop hij de BTW betaalt (jaar 'zes') is de termijn waarbinnen hij de BTW in aftrek kan brengen, al jarenlang verstreken (die termijn bedraagt nog slechts drie jaar). Met als gevolg dat hij de betaalde BTW op geen enkele manier kan recupereren. De vraag is dan of dit in overeenstemming is met de BTW-principes zoals die in de Europese wetgeving staan te lezen. Daarvan zal - voorspelbaar - nog een hartig woordje, tot voor de hoogste rechtscolleges, worden gezegd. De aftrek moet nu effectief binnen drie jaar zijn uitgeoefend.