De jongste tijd was er een zweem van zelfgenoegzaamheid neergedaald over de wereldwijde aandelenmarkten. Na de opleving, die al drie jaar aanhield, was het alsof Goudlokje teruggekomen was voor een tweede portie. In de ogen van de beleggers stond het vast dat de economische groei zou aanhouden, zonder te koud, noch te warm te blazen, terwijl behoorlijke bedrijfswinsten voor de vierde keer op rij tot een goed jaar voor effecten zou leiden.
...

De jongste tijd was er een zweem van zelfgenoegzaamheid neergedaald over de wereldwijde aandelenmarkten. Na de opleving, die al drie jaar aanhield, was het alsof Goudlokje teruggekomen was voor een tweede portie. In de ogen van de beleggers stond het vast dat de economische groei zou aanhouden, zonder te koud, noch te warm te blazen, terwijl behoorlijke bedrijfswinsten voor de vierde keer op rij tot een goed jaar voor effecten zou leiden. Dat optimisme trok bij het begin van 2006 de markten stevig aan. Voor wie van mijlpalen houdt: de Dow Jones Industrial Average klom even over 11.000 en dat was nog maar 6 % verwijderd van zijn absolute top van 11.723, die zes jaar geleden bereikt werd op het hoogtepunt van de dotcomboom. Robert Parkes, strateeg bij HSBC, vatte de stemming zo samen: "Onze grootste zorg is dat op dit ogenblik alles te mooi lijkt om waar te zijn."Midden januari kreeg het optimisme evenwel een ferme dreun. Er dook een sinistere combinatie op van stijgende olieprijzen en ontgoocheling over de eerste winstcijfers voor het vierde kwartaal in de Verenigde Staten, met als toetje nog een financieel schandaal in Japan. Tijdens de drie dagen voor 18 januari 2006 verloor de MSCI-wereldindex van de beurzen van de rijke landen 1,7 %. In Groot-Brittannië werden de gevoelens ook op de proef gesteld door de waarschuwingen van Mervyn King, de gouverneur van de Bank of England, en zijn adjunct Sir Andrew Large. Zij waarschuwen voor hoge wereldwijde vastgoedprijzen, aangewakkerd door lage langetermijninteresten. Daarin weerklonk vaag de echo van uitspraken die tien jaar geleden gedaan werden door een andere centrale bankier - de nu net gepensioneerde gouverneur van de Amerikaanse centrale bank Alan Greenspan. Hij had het toen over 'irrationele uitbundigheid' bij de beleggers op de beurs. De aanwijzingen voor frivoliteit op de wereldwijde markten kunnen maar best ernstig genomen worden. Met al het goedkope geld dat in het financiële systeem rond klotst, worden ontstellend hoge niveaus gehaald op allerlei markten, waaronder goud (op zijn hoogste punt in 25 jaar), obligaties en vastgoed. De financiële markt die nog het minst vergezeld ging van bazuingeschal was allicht de aandelenmarkt. Toch is de Japanse Topixindex in de voorbije drie jaar bijna verdubbeld. De Europese aandelen kenden een stijging van meer dan 50 %. En de Amerikaanse S&P 500 deed het ondanks een mak 2005 toch nog 46 % beter (zie grafiek: De lange klim). De opkomende markten presteerden zelfs nog beter. Een van de opmerkelijke aspecten van de opgang van de effectenbeurzen is dat hij tersluiks gebeurde: hij deed zich voor ondanks het feit dat aandelen uit de gratie gevallen zijn van zowel de pensioenfondsbeheerders als de retailbeleggers. HSBC schat dat investeringsmaatschappijen in 2005 voor 1 biljoen dollar aan wereldwijd verhandelde aandelen van de hand deden, grotendeels om obligaties op lange termijn aan te kopen, die nauwer aansluiten bij verplichtingen zoals pensioenbeloften. Dat mag gerust een fikse tegenwind genoemd worden. Ondertussen hebben individuele beleggers in vele landen sinds de dotcomcrash hun aandacht verlegd van aandelen naar vastgoed. Toch bleven de aandelenbeurzen doorstomen, waarbij ze de apathie van de beleggers, de stijgende interesten en de hogere grondstofprijzen op de koop toe namen. Hoe hebben ze die koppige vastberadenheid ontwikkeld en hoe lang kan dat nog duren? Aan de basis van het succes van de effectenmarkten ligt de gezonde verbetering van de bedrijfwinsten. Nadat ze zich op het dieptepunt van de baissemarkt ontvet hadden, begonnen de ondernemingen al snel weer een groei van de verkoop en de winst te kennen. En ze keerden handenvol cash uit aan de aandeelhouders. Pas nu worden ze door de investeerders aangemoedigd om geld te spenderen aan kapitaalsinvesteringen en acquisities, maar daarbij is het risico dat er geld verspild wordt ook groter. Sinds 2003 kende de wereld een uitzonderlijke aangroei van de winstcijfers. Negen opeenvolgende kwartalen lang namen de bedrijfsinkomsten onder de bedrijven van de S&P 500 van jaar op jaar met dubbele cijfers toe. Dat is, volgens het onderzoeksbureau Thomson Financial, de langste periode van een dergelijke groei sinds de grote winstheropleving van eind 1992 tot eind 1995. Thomson zegt dat de groei van de winsten in zowel Europa als de Verenigde Staten die van de aandelenkoersen voorbijgestreefd heeft. Daardoor is de prognose van de rendementen op twaalf maanden voor de S&P 500 van 26,4 op het toppunt van de haussemarkt gezakt naar beneden de 15. Ook de Europese ratio's zijn gedaald. De winstboom werd gevoed door de globalisering. De opkomst van China en India, met hun enorme voorraad goedkope arbeidskrachten, heeft gewogen op de arbeidskosten in het Westen en heeft de inflatie en de interestvoeten aan banden gelegd. De medaille heeft echter ook een keerzijde. De vraag naar grondstoffen vanuit China en andere snelgroeiende ontluikende economieën bedreigt nu de rendabiliteit, naarmate de grondstofprijzen stijgen. De petroleumprijzen stegen weer tot het hoogste niveau in bijna vier maanden. Dat herinnerde meteen scherp aan het soort kostendruk die woog op, bijvoorbeeld, de winst tijdens het vierde kwartaal van de Amerikaanse aluminiumproducent Alcoa. Er zijn trouwens nog andere redenen om de optimistische winstvoorspellingen voor 2006 in twijfel te trekken. In de Verenigde Staten zijn er tekenen dat de druk op de arbeidskosten aan het toenemen is. De povere berichten over het vierde kwartaal die in januari uitgestuurd werden door bekende namen als Yahoo! en Intel maakten de bezorgdheid alleen maar groter. En als de dollar zakt tegenover andere munten, wat velen verwachten, zouden de Europese exporteurs wel eens in de tang kunnen geraken. Nu al wordt verwacht dat de winstgroei in Europa dit jaar beneden 10 % zal zakken. Een vertraging van de winstgroei zal echter niet noodzakelijk leiden tot een massale verkoop van aandelen. Volgens Thomson Financial steeg de S&P 500 nog met 20 % tijdens het jaar dat volgde op de Amerikaanse winstboom van 1992-1995. Nu de opbrengsten uit obligaties zo laag zijn, lijken aandelen voor sommigen nog altijd een goede belegging. Peter Oppenheimer, een strateeg bij Goldman Sachs, stelt vast dat de premie voor aandelenrisico - de vergoeding die een belegger krijgt omdat hij ver achterop in het uitbetalingrijtje staat als een onderneming in moeilijkheden mocht geraken - op een ongewoon hoog peil staat. Het is intussen onverstandig om zelfgenoegzaam te zijn. Er liggen namelijk gevaren op de loer voor de wereldeconomie, zoals een inzinking van de consumentenvraag in de Verenigde Staten die verband houdt met huisvesting of een scherpe daling van de dollar ten gevolge van economische onevenwichtigheden in de wereld. Maar bovenal, zoals de Engelse centrale bankier Mervyn King vaststelde, kan een ommekeer in de kredietcyclus kwalijke gevolgen hebben voor allerlei effectenmarkten. Kortom, dit is geen tijd voor uitbundigheid - rationeel of niet. De denkpauze in januari over de stevigheid van de wereldwijde aandelenmarkten kwam net op het goede moment. © The Economist. copyright The Economist