Hoe zit het nu precies met die recente maatregel van de regering om de roerende voorheffing te verhogen tot 21 procent en een bijkomende taks van 4 procent te heffen op inkomsten boven 20.020 euro? Komt uw anonimiteit in het gedrang? En kunt u daar iets aan doen? Enkele concrete vragen en hun antwoorden op een rij.
...

Hoe zit het nu precies met die recente maatregel van de regering om de roerende voorheffing te verhogen tot 21 procent en een bijkomende taks van 4 procent te heffen op inkomsten boven 20.020 euro? Komt uw anonimiteit in het gedrang? En kunt u daar iets aan doen? Enkele concrete vragen en hun antwoorden op een rij. De basisregel is eenvoudig: voor de intresten waarop tot nu toe een roerende voorheffing van 15 procent van toepassing was, geldt voortaan een tarief van 21 procent. Dat tarief is van toepassing op staatsbons (behalve op de zogenaamde staatsbons-Leterme, waarvoor 15 procent blijft gelden), kasbons, termijnrekeningen, de spaarverzekeringen van het type tak 21 (in geval van opname binnen acht jaar) en van tak 23 (als die belast worden), bedrijfs- en overheidsobligaties en de meerwaarde bij inkoop van eigen aandelen (inkoopboni). "Het nieuwe tarief geldt voor inkomsten die sinds het begin van het jaar toegekend of uitbetaalbaar zijn", zegt Olivier Querinjean, advocaat bij CMS DeBacker. Om een voorbeeld te geven: u betaalt voortaan op alle coupons van uw obligaties 21 procent roerende voorheffing in plaats van 15 procent. Voor de gereglementeerde spaarboekjes verandert niets. Die intresten blijven onderworpen aan 15 procent roerende voorheffing voor bedragen boven de vrijgestelde eerste schijf van 1830 euro per persoon. Een andere uitzondering is de staatsbon uitgegeven tussen 24 november en 2 december 2011, die bekendstaat als de 'staatsbon-Leterme'. Ook daar geldt het tarief van 15 procent. Voor dividenden gold al een voorheffing van 25 procent en dat blijft zo. Querinjean merkt op dat wie genoot van het verlaagde tarief van 15 of 20 procent, voortaan 21 procent betaalt. Dat is het geval voor de ondernemingen die na 1 januari 1994 zijn opgericht via een storting van kapitaal en die aandelen op naam hebben, en voor aandelen met VVPR-strip. De belasting van de liquidatieboni (meerwaarde bij het opdoeken van de onderneming) blijft 10 procent. Voor elke natuurlijke persoon die in België woont en jaarlijks meer dan 20.020 euro aan intresten en dividenden ontvangt. De bijkomende bijdrage van 4 procent wordt geheven op het gedeelte van de roerende inkomsten (intresten en dividenden) dat de drempel van 20.020 euro overschrijdt. Belangrijk is dat bij de berekening van het totaal aan roerende inkomsten sommige inkomsten niet meegerekend hoeven te worden: de intresten op de staatsbon-Leterme, de liquidatieboni en de vrijgestelde schijf van intresten op de spaarboekjes. Nadat het totaal aan roerende inkomsten bekend is, moeten nog de dividenden en intresten worden verrekend waarop de taks van 4 procent niet van toepassing is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zaken waarop al een roerende voorheffing van 25 procent geldt. Neem het geval van iemand die 21.000 euro aan dividenden (belast tegen 25 %) ontvangen heeft en 5000 euro aan intresten uit obligaties (21 %). In totaal gaat het dus over 26.000 euro en is er een surplus aan intresten van 5980 euro (26.000 - 20.020). Maar enkel het inkomen dat tegen 21 procent belast wordt (5000 euro) kan onderworpen worden aan de bijdrage van 4 procent. De taks bedraagt in dit geval dus 200 euro (4 % van 5000 euro). Ja. "Elk van de echtgenoten is belastbaar op zijn eigen inkomsten", merkt Querinjean op. Voor de belastingplichtigen die een gemeenschappelijke aangifte indienen, geldt dat een limiet van 20.020 euro per persoon in rekening genomen wordt. Dat is de grote nieuwigheid in deze hervorming: de roerende voorheffing is niet langer per definitie bevrijdend. De invoering van een bijkomende voorheffing van 4 procent op de 'hoge' roerende inkomsten gaat gepaard met nieuwe regels voor de aangifte door de belastingplichtigen. Vanaf volgend jaar moet u al uw roerende inkomsten vermelden in uw aangifte in de personenbelasting (aangifte 2013 - aanslagjaar 2012). In de eerste plaats de spaarrekening. Voor zover die niet meer dan 1830 euro aan intresten opbrengt, moet niets aangegeven worden. De spaarverzekeringsproducten van type tak23 (met een niet-gegarandeerd rendement, afhankelijk van de onderliggende beleggingen) genieten eveneens van een volledige vrijstelling van roerende voorheffing. Hetzelfde geldt voor de beleggingen in tak21 op voorwaarde dat het kapitaal meer dan acht jaar geïnvesteerd blijft. Met een investering in een kapitalisatiebevek (geen jaarlijkse coupon) kunt u eveneens anoniem blijven omdat die niet onderworpen is aan de roerende voorheffing. Die moet dan wel voor minstens 40 procent geïnvesteerd zijn in producten met een vast rendement of niet over een Europees paspoort beschikken (geen belasting bij uitstap). Opgepast: de genoemde drempel zou binnenkort verlaagd kunnen worden naar 25 procent. Ja, dat is de andere grote nieuwigheid van de hervorming. De anonimiteit wordt in bepaalde gevallen een betaalde fiscale optie. Inkomsten waarop het tarief van 21 procent roerende voorheffing geldt, kunnen op verzoek van de belastingplichtige aan de bron onderworpen worden aan de extra heffing van 4 procent. In dat geval wordt de bijdrage geheven vanaf de eerste euro intrest (los van het feit of de drempel van 20.020 euro al dan niet bereikt werd) en moet de belastingplichtige die roerende inkomsten niet aangeven. Evenmin zijn de banken verplicht ze te melden aan de federale overheidsdienst Financiën via het centraal aanspreekpunt. Prijs van deze vorm van bankgeheim: 800,8 euro per jaar (4 % van 20.020 euro). Hoe de formulieren eruit zullen zien is nog niet bekend. "Gegevens die niets te maken hebben met de vaststelling van de drempel van 20.020 euro en/of de inkomsten die mogelijk onderworpen worden aan de bijkomende bijdrage van 4 procent, hoeft de bank in elk geval niet door te geven. Dat zou bijvoorbeeld gelden voor een overzicht van de meerwaarden op aandelen die de belastingplichtige gerealiseerd heeft", meent Querinjean. Als de belastingplichtige niet vraagt de bijdrage van 4 procent aan de bron in te houden, dan moeten de financiële instelling in principe enkel de informatie over de intresten en dividenden doorgeven aan het centraal aanspreekpunt, met vermelding van de identiteit van de rechthebbende. Het is aan de belastingplichtige om dezelfde inkomsten (correct) aan te geven. De volgende inkomsten moeten altijd in de personenbelasting aangegeven worden: alle intresten die tegen 15 procent belast worden en alle intresten en dividenden waarop 25 procent roerende voorheffing is ingehouden. Volgens de huidige wetgeving zijn die verschuldigd op de roerende inkomsten van Belgische oorsprong die vermeld worden in de belastingaangifte. De enige uitzondering die de wet bepaalt, is de bijkomende bijdrage van 4 procent. Daarop mogen geen gemeentelijke opcentiemen geheven worden. Alles hangt af van de samenstelling van uw portefeuille en uw risicoprofiel. Het is echter duidelijk dat een portefeuille van verscheidene miljoenen euro's heel goed geen enkel inkomen kan genereren. Daarvoor volstaat het bijvoorbeeld dat u uw aandelenportefeuille (waarvan de dividenden tegen 25 procent belast worden) verkoopt, om in de plaats daarvan deelbewijzen in een kapitalisatiebevek te kopen. "Individuele aandelenlijnen aanhouden wordt niet alleen bestraft via de voorheffing, maar ook en vooral door het verlies van de anonimiteit", zegt een topbankier. Toch is het oppassen geblazen: niets zegt dat de producten die nu ontsnappen aan de aangifteverplichting altijd zullen genieten van dat speciaal regime. Het geweer van schouder veranderen kan ook een dure zaak worden door allerlei kosten die daarbij komen kijken. Niet echt. Om de eenvoudige reden dat u dan al uw roerende inkomsten, Belgische of andere, moet aangeven. Buitenlandse bankinstellingen zijn bovendien niet bevoegd om de bijdrage van 4 procent in te houden. Overigens is, samen met de intensifiëring van de internationale uitwisseling van gegevens, ook de mentaliteit gewijzigd. "Kapitaal versassen naar het buitenland is nauwelijks nog in de mode, vooral niet bij de jonge generatie", geeft een specialist vermogensbeheer aan. Dat gezegd zijnde, is het toch minder interessant geworden om roerende activa aan te houden in België. "Het voordeel is kleiner geworden", legt Marie Bentley, een advocate van Afschrift, uit. "Tot voor kort moest men alleen de inkomsten aangeven die in het buitenland ontvangen werden of die in België geen afhouding aan de bron ondergaan hadden. Nu moet je de roerende inkomsten aangeven die in België verworven zijn, voor zover ze niet onderworpen werden aan de bijdrage van 4 procent. Roerende activa aanhouden in België is dus op het gebied van anonimiteit minder aantrekkelijker geworden dan voorheen. En dan mogen we ook niet vergeten dat de roerende inkomsten in het buitenland niet onderworpen worden aan de gemeentelijke opcentiemen, dat in tegenstelling tot de roerende inkomsten van Belgische oorsprong waarvoor de huidige wetgeving geen enkele uitzondering inzake gemeentelijke opcentiemen voorziet." Dat is erg waarschijnlijk. Waarom wil men anders meer weten over het roerend patrimonium? De afschaffing van het bevrijdend karakter van de voorheffing is duidelijk een eerste stap naar een toestand waarin de roerende inkomsten niet langer apart belast worden, maar onderworpen zijn aan hetzelfde belastingstelsel als de andere inkomsten, zoals de onroerende of de beroepsinkomsten. Ja. Daar verandert niets. Voor zover natuurlijk de voorwaarden voor de aanvraag vervuld zijn. Het is duidelijk dat ons belastingsysteem evolueert naar meer transparantie. Niettemin, "of het nu gaat over de opheffing van het bankgeheim, de oprichting van een fiscale superdatabank of de recente hervorming van de voorheffing, al die fiscale wijzigingen leiden op zich nog niet naar een vermogenskadaster", stelt Franck Cédrone, fiscalist in het departement private banking van Deutsche Bank België. De nieuwe maatregelen van de regering bieden de fiscus weliswaar een kijk op de roerende inkomsten van de Belgen, maar niet op hun roerend patrimonium. Of althans nog niet. Dat is moeilijk uit te sluiten, maar er zijn heel wat elementen die ertegen pleiten: de kostprijs van de invoering, de logheid van de administratie, enzovoort. In Nederland, Luxemburg en sommige noordse landen werd het idee trouwens al geheel of gedeeltelijk afgevoerd. SÉBASTIEN BURON, GUY LEGRANDDe invoering van een bijkomende voorheffing van 4 procent op de 'hoge' roerende inkomsten gaat gepaard met nieuwe regels voor de aangifte door de belastingplichtigen. Wie aan de bron een extra heffing van 4 procent vraagt op zijn roerende inkomsten hoeft ze niet meer aan te geven, noch hoeft de bank ze te melden. Prijs van deze vorm van bankgeheim: 800,8 euro per jaar.