De auteur is adjunct-directeur van de VEV-studiedienst.
...

De auteur is adjunct-directeur van de VEV-studiedienst.De kersverse regering- Verhofstadt II vraagt van de gewesten en gemeenschappen een extra bijdrage in de schuldsanering. Dat moet haar toelaten om zelf de teugels wat te vieren zonder de noodzakelijke schuldvermindering in het gedrang te brengen. Vlaams minister-president Bart Somers (VLD) is bereid om zijn leermeester Guy Verhofstadt bij te springen... en helpt zo de federale ploeg-Verhofstadt om noodzakelijke ingrepen in de sociale zekerheid uit te stellen. Op het eerste gezicht valt er wat te zeggen voor een versterkte bijdrage van de deelstaten tot de sanering van de overheidsschuld. Enerzijds beschikken de deelstaten over iets ruimere budgettaire marges. Dat komt omdat de middelen van de gemeenschappen onder Verhofstadt I aanzienlijk werden verruimd door het Lambermont-akkoord, terwijl de federale overheid met het overgrote deel van de schuldenlast bleef zitten. Anderzijds vallen de kosten van de vergrijzing vooral ten laste van de federale overheid, inzonderheid de pensioenen en de gezondheidszorgen. Kopje onder. Maar wat op het eerste gezicht zinvol lijkt, doet toch meteen een reeks vragen rijzen. Amper twee jaar geleden kende de ploeg-Verhofstadt I met het Lambermont-akkoord extra geld toe aan de gemeenschappen, te betalen door de federale overheid. Toen heette het dat de gemeenschappen structureel te weinig middelen kregen. Vandaag wordt ze gevraagd de extra middelen voor een belangrijk deel niet te gebruiken. Wat is er op twee jaar tijd dan structureel veranderd in de financiële verhoudingen tussen de federale overheid en de deelstaten? De slechte conjunctuur? Die speelt net zo goed de deelgebieden als de federale overheid parten. De kosten van de vergrijzing? Die zijn al jaren gekend. Wat wel is gewijzigd sedert Lambermont, is dat de federale overheid toen nog op een roze budgettaire wolk kampeerde en nu budgettair kopje onder dreigt te gaan. De economische malaise gekoppeld aan de nasleep van een politiek van vrijheid-blijheid bij het begin van de vorige legislatuur maakt de budgettaire marge vandaag uiterst beperkt. Door zich in die omstandigheden toch nog een groeivoet van jaarlijks 4,5 % in de gezondheidszorgen te permitteren, zette de federale overheid zich helemaal klem. Ze trok dan maar het budgettaire ventiel wat open, door de begrotingsdoelstelling te versoepelen. Van de deelgebieden wordt nu blijkbaar verwacht om die federale soepelheid wat te compenseren. Die deelgebieden staan er op korte termijn nochtans zelf niet goed voor. Hun begrotingsbeleid is in hetzelfde bedje ziek als dat van de federale overheid: ook zij betalen de tol van de aanhoudende economische malaise én een wat overdreven voluntarisme de voorbije jaren. Volgens het jongste rapport van de Hoge Raad van Financiën deden de deelgebieden het vorig jaar budgettair ruim 700 miljoen euro slechter dan vooropgezet en zouden ze er ook dit jaar 300 miljoen naast zitten. Opvallend is dat voor het eerst ook de Vlaamse Gemeenschap uit de bocht dreigt te gaan, zoals ook de Sociaal-Economisch Raad van Vlaanderen (Serv) in zijn jongste begrotingsadvies aangaf. Structurele besparingen dringen zich op voor volgend jaar. Een extra inspanning van de deelgebieden is op korte termijn dus verre van evident. Op lange termijn lijkt er wat meer ruimte te zijn. Lambermont heeft de middelengroei voor de deelgebieden immers aanzienlijk versterkt. Maar ook de federale overheid kan op termijn meer ruimte krijgen, door het effect van de omgekeerde rentesneeuwbal: de dalende overheidsschuld zorgt voor dalende rentelasten. Daarnaast stoot een meer doorgedreven vermindering van de schuld van de deelgebieden op termijn op limieten, omdat die schulden zouden verdwijnen. Bij een jaarlijkse groei van de uitgaven met circa 2,2 % zou althans voor de Vlaamse overheid de schuld tegen het einde van dit decennium al worden herleid tot 7 % van de middelen of een derde van het huidige niveau, zo rekende de Serv voor. Bovendien dienen de deelgebieden met hun bevoegdheden werk te maken van een economisch groeibeleid, de meest effectieve buffer tegen de vergrijzing. Gedegradeerd tot depanneurs. Het oorspronkelijke opzet van de Financieringsregeling voor de deelgebieden die in 1989 op het spoor werd gezet, bestond erin om de deelgebieden onrechtstreeks te laten deelnemen in de aflossing van de overheidsschuld door de dotaties aan de gemeenschappen te laten krimpen in functie van de daling van het aantal geboortes. Met andere woorden: door de denataliteitskorting op de middelen voor de deelgebieden kwam er ruimte vrij voor een vergrijzingstoeslag bij de federale overheid en kon dus de federale sociale zekerheid worden gevrijwaard. Deze deal werd doorbroken met het Lambermont-akkoord, waardoor de federale overheid vandaag bij de deelgebieden komt aankloppen om de sociale zekerheid zuurstof te bieden. Door de deelgebieden een paar jaar extra te laten bijdragen, kan de regering-Verhofstadt II noodzakelijke kostenbeheersende ingrepen in de sociale zekerheid uitstellen. Tegelijk worden de deelgebieden middelen en instrumenten ontzegd om met de beschikbare marges een echt groeibeleid te voeren. Zij hebben daartoe tal van bevoegdheden in petto: economische politiek, wetenschapsbeleid, onderwijs en vorming, mobiliteit en infrastructuur... Maar het ontbreekt ze aan belangrijke beleidsinstrumenten, onder meer inzake fiscaliteit en parafiscaliteit, spoorwegen. Een debat over de verdeling van de schuldenlast tussen de diverse overheden moet ingebed zijn in een allesomvattende institutionele hervorming. Daarbij dienen de deelgebieden meer ruimte te krijgen voor een eigen groeiversterkend beleid, onder meer door ze redelijke budgettaire marges te gunnen en instrumenten om daarmee de groei te ondersteunen, zoals fiscale incentives. Momenteel lijkt het er helaas op dat de deelgebieden worden gedegradeerd tot depanneurs van een federale overheid die noodzakelijke ingrepen in de sociale zekerheid uitstelt en zelf niet bij machte is om te investeren in economische groei. Jan Van DorenDe deelgebieden zijn gedegradeerd tot 'depanneurs' van een federale overheid die zelf niet bij machte is om te investeren in economische groei.