Prof. dr. Alain Verbeke is gewoon hoogleraar aan de universiteiten van Leuven en Tilburg. De drie auteurs zijn advocaten in Brussel, gespecialiseerd in estate planning.
...

Prof. dr. Alain Verbeke is gewoon hoogleraar aan de universiteiten van Leuven en Tilburg. De drie auteurs zijn advocaten in Brussel, gespecialiseerd in estate planning.Vorige week maakte u kennis met Bert en Erna, het oudere echtpaar uit Sint-Martens-Latem. U herinnert zich dat zij drie volwassen kinderen hebben, Billy, Willy en Margareta. Bert en Erna hebben een gemeenschappelijk vermogen opgebouwd van zo'n 4 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen aan onroerende goederen. Naast de villa in Latem, een appartement aan de kust en twee wagens, bestaat het vermogen uit bankrekeningen en spaarboekjes, en vooral een deskundig beheerde beleggingsportefeuille. Hoe aardig de kinderen ook zijn, Bert en Erna kozen voor een maximale bescherming van de langstlevende echtgenoot. Zolang een van beiden in leven is, moet die alleen kunnen beslissen over het vermogen, zonder enige bemoeienis van wie dan ook, dus ook niet van de kinderen. Daarom tekende het koppel een notariële akte waarin zij een verblijvingsbeding (ook langst-leeft-al-beding genoemd) opnamen. Dat beding valt onder het huwelijksvermogensrecht, dat voorrang heeft op het erfrecht. Maar de fiscus is ook erg in zijn nopjes met deze regeling. Voor de overgang van een vermogen van 4 miljoen euro van de ouders naar de kinderen betalen ze successierechten van 1.236.000 euro. Dat is een tarief van bijna 31 %. Zonder het verblijvingsbeding zou de totale belasting 453.000 euro geweest zijn. Dat is een goede 11 %. Wat moeten Bert en Erna doen? Kiezen ze voor gemoedsrust en volledige zeggenschap over het vermogen, dan betalen ze een extra prijs van ruim 800.000 euro. Zijn ze niet bereid die prijs te betalen, dan verliest de langstlevende partner een groot deel van de blote eigendom. Er bestaat echter een clausule die het voordeel van het verblijvingsbeding garandeert, zonder dat de fiscus er wel bij vaart. De oplossing is eenvoudig. Stel dat Bert eerst overlijdt. Erna krijgt alle goederen (en schulden) van het gemeenschappelijk vermogen, zoals in het gewone verblijvingsbeding, maar we koppelen daaraan een schuld van de langstlevende partner tegenover de nalatenschap. In de nalatenschap valt dan een vordering tegenover Erna. De schuld wordt begroot op de helft van het nettovermogen. Deze vordering van de nalatenschap zal vererven. Volgens het gewone wettelijke versterferfrecht (als er geen testament is) krijgt Erna het vruchtgebruik op die vordering en de kinderen elk een derde in blote eigendom. Hoewel Erna juridisch alle goederen van het vermogen krijgt, ontvangt zij economisch bekeken maar de helft. Het voordeel van de gemoedsrust van het verblijvingsbeding blijft behouden. Erna krijgt alle goederen en de kinderen kunnen er niets tegen beginnen. In de nalatenschap valt een vordering die vererft en waarop de kinderen hun erfrecht en eventuele reserve kunnen laten gelden. Maar dat treft Erna niet, want dat zijn rechten op een vordering en niet op de villa, het appartement of de beleggingsportefeuille. Het fiscale nadeel van het verblijvingsbeding is tenietgedaan. Economisch is de verkrijging van Erna en de kinderen ongeveer zoals in het versterferfrecht. Als Bert eerst overlijdt, krijgt Erna de helft onbelast en vererft de andere helft in vruchtgebruik en blote eigendom. Erna laat bij haar overlijden de volle eigendom van het totale gemeenschappelijk vermogen na aan haar kinderen. Die hebben echter een vordering ter waarde van de helft (in volle eigendom, na aanwas van het vruchtgebruik van Erna op die vordering), die zij op de nalatenschap in mindering kunnen brengen. Ze zullen slechts op de helft van het vermogen successierechten betalen en ze krijgen grosso modo een zelfde goedkope behandeling als in het versterferfrecht. Maar de kous is hiermee niet af. Als de kinderen een vordering erven, kunnen ze toch de betaling van de schuld eisen van Erna? Is dat dan geen vestzak-broekzakoperatie? Wat je aan de ene kant aan de langstlevende partner geeft (het hele vermogen), neem je aan de andere kant weer terug (vordering op de helft). Daarom moet de clausule zo worden opgesteld dat de vordering op de langstlevende partner niet opeisbaar is zolang die leeft. Dan werkt het wel. Erna krijgt alles, onder een schuld voor de helft van het vermogen, maar de kinderen kunnen de betaling van die schuld pas eisen wanneer ze overleden is. De vordering in de nalatenschap is met andere woorden een lege doos met een rode strik. Het komt voor dat de vordering wordt opgeëist wanneer de langstlevende echtgenoot in slechte financiële papieren raakt, bijvoorbeeld door een faillissement, of wanneer die het vermogen niet meer behoorlijk kan beheren. Meestal wil men ook dat de kinderen kunnen incasseren voor het geval hun moeder besluit de rest van haar leven door te brengen in het gezelschap van haar zongebruinde strandvriend. Daarom wordt de vordering vaak opeisbaar wanneer de langstlevende hertrouwt, wettelijk samenwoont of feitelijk samenwoont op duurzame wijze. Een minder verregaande beperking van de positie van de ouder is een clausule waarbij de vordering niet opeisbaar wordt, maar waarbij de kinderen wel kunnen eisen dat zij voor die schuld een zekerheid stelt. Dan moet de ouder bijvoorbeeld een aantal effecten in pand geven of een bankgarantie afgeven of een hypotheek op het appartement toestaan (meestal niet op de gezinswoning). Er is nog iets mis met die vordering. Het gaat niet op om een vordering ter waarde van de helft van het vermogen, dus 2 miljoen euro, dat pas tien of twintig jaar later opeisbaar is wanneer Erna overlijdt, te waarderen op dat nominale bedrag van 2 miljoen. Daar moet ofwel een disconto op verrekend worden, ofwel moet een rentevoet worden bedongen. Als de vordering van de nalatenschap op Erna renteloos is, zal de economische waarde van de verkrijging van Erna niet gelijk zijn aan 4 miljoen min 2 miljoen. De waarde van de vordering moet worden geactualiseerd en verminderd tot zijn werkelijke waarde op datum van het overlijden van Bert, bijvoorbeeld 1.200.000 euro. Fiscaal zal dan in de nalatenschap maar een vordering van 1.200.000 euro vererven, en Erna zal een extra bedeling van 800.000 euro van het vermogen krijgen (waarop zij successierechten betaalt). Als de vordering rentedragend is - waarbij in het huwelijkscontract wordt bepaald dat ook die rente pas opeisbaar is bij het overlijden van Erna -, dan wordt de vordering gewaardeerd op het nominale bedrag van 2 miljoen euro en zullen de bijgeschreven interesten bij het overlijden van Erna nog extra van haar nalatenschap kunnen worden afgetrokken. Op deze interest is wel een roerende voorheffing verschuldigd. Welke oplossing de voorkeur geniet en wat fiscaal het meest voordelig is, hangt af van heel veel variabelen. Daarom is het belangrijk om een clausule op te stellen die zo flexibel mogelijk is, zodat een adviseur na het overlijden van Bert kan berekenen wat fiscaal het best uitkomt. De vordering kan bijvoorbeeld rentedragend zijn als Erna en de erfgenamen daar gezamenlijk toe beslissen, tegen een door hen bepaalde interestvoet. Ze moeten natuurlijk rekening houden met de consequenties op het vlak van de inkomstenbelasting. Echte fiscale optimalisatie vergt nog meer flexibiliteit. Het is bijvoorbeeld helemaal niet duidelijk hoeveel vruchtgebruik Erna op die vordering moet hebben om tot een fiscaal optimaal resultaat te komen. Dat wordt ook best pas na het overlijden van Bert uitgerekend. Daarom is het nuttig in het testament te bepalen dat Erna zoveel vruchtgebruik op die vordering krijgt als zij zelf wil. De partijen moeten er ook rekening mee houden dat een verdeling tussen onroerende en roerende goederen zeer voordelig kan zijn voor de heffing van Vlaamse successierechten. Als de hele nalatenschap alleen uit een vordering bestaat, is er enkel sprake van een roerend goed. Dat kan fiscaal ongunstig zijn. Daarom is het nuttig om na het overlijden van Bert te schuiven met onroerende en roerende goederen tussen de nalatenschap en de langstlevende partner. Daar bestaat een zeer geschikt instrument voor: het keuzebeding met vordering. Het keuzebeding met vordering biedt een flexibiliteit die niet alleen fiscaal nuttig is. Het kan ook heel geschikt zijn voor de belangrijkste doelstelling van Bert en Erna: gemoedsrust. In plaats van te bepalen dat Erna bij het overlijden van Bert automatisch het hele vermogen krijgt, bezwaard met een vordering zoals we hierboven hebben uitgelegd, wordt bedongen dat Erna bij het overlijden zoveel goederen uit de gemeenschap kan kiezen als ze wenst. Hieraan wordt een termijn gekoppeld (bijvoorbeeld vijf maanden) en ook wordt precies bepaald hoe en met welke formaliteiten Erna deze keuze moet uitoefenen. Uiteraard wordt ook geregeld wat er gebeurt als Erna niet of niet tijdig haar keuze bekendmaakt. In zo'n geval wordt meestal geopteerd voor het verblijvingsbeding met vordering. Alles voor Erna dus. Met een keuzebeding blijft het mogelijk om bepaalde onroerende goederen in de nalatenschap te laten vallen en de successiebelastingen nog meer te verminderen dankzij de spreiding tussen onroerend en roerend goed. Dat heeft nog een andere charme. Het zou wel eens kunnen dat het fiscale voordeel om bijvoorbeeld het appartement in de nalatenschap te laten vallen ook de gemoedsrust bevordert. Erna zou bijvoorbeeld graag hebben dat de kinderen samen in onverdeeldheid nu al eigenaar worden van het appartement, zodat zij daar in onderling overleg op vakantie kunnen gaan. In de periode van vijf maanden na het overlijden van Bert moet de raadsman van Erna koortsachtig rekenen. Hij moet zien hoe hij het beste fiscale resultaat bereikt. Hierbij zal hij Erna vragen of en welke goederen eventueel nu al naar de kinderen mogen gaan. Een intelligent opgesteld keuzebeding met vordering, in combinatie met een flexibel testament, biedt Erna alle mogelijkheden voor een optimale keuze. In eerste instantie zoals zij het wil, in tweede orde ook fiscaal optimaal. Vindt Erna dit na het overlijden van haar echtgenoot allemaal te lastig of te delicaat? Kan zij het niet opbrengen om te beslissen welke goederen ze wil? Geen probleem. Dan zal haar raadsman wellicht adviseren om het hele vermogen aan haar toe te bedelen en zelf in stilte de technische berekeningen uitvoeren in verband met de rente en het vruchtgebruik. Ook dat zal een resultaat geven dat fiscaal nog altijd veel voordeliger is dan bij een gewoon verblijvingsbeding. Alain Nijs - Anton van Zantbeek - Alain VerbekeBij een verblijvingsbeding met vordering valt alleen een vordering op het vermogen in de nalatenschap.