Het voorjaar is de periode waarin accountants en boekhouders de laatste hand leggen aan de afsluiting van het afgelopen boekjaar. Dan worden ook de voorbereidingen getroffen om de aangifte voor de vennootschaps- en de personenbelasting in te dienen. Ter ondersteuning daarvan worden voor die professionals heel wat seminars georganiseerd. Dit jaar vinden die in volle verkiezingsperiode plaats. Het gevolg daarvan is dat de aandacht tijdens die studiedagen niet alleen naar de bestaande regelgeving gaat. Nu en dan komen ook de fiscale toekomstplannen van de politieke partijen ter sprake.
...

Het voorjaar is de periode waarin accountants en boekhouders de laatste hand leggen aan de afsluiting van het afgelopen boekjaar. Dan worden ook de voorbereidingen getroffen om de aangifte voor de vennootschaps- en de personenbelasting in te dienen. Ter ondersteuning daarvan worden voor die professionals heel wat seminars georganiseerd. Dit jaar vinden die in volle verkiezingsperiode plaats. Het gevolg daarvan is dat de aandacht tijdens die studiedagen niet alleen naar de bestaande regelgeving gaat. Nu en dan komen ook de fiscale toekomstplannen van de politieke partijen ter sprake. Tijdens een seminar aan de Fiscale Hogeschool viel vorige week de grote bezorgdheid van de cijferberoepen op over de toekomst van de fiscaliteit. Een toelichting over de overgangsregeling voor liquidatiebonussen was de aanleiding voor een paar interessante opmerkingen. Zoals bekend wordt het tarief van de afzonderlijke belasting die verschuldigd is op de bonus die bij de vereffening van een vennootschap aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd, vanaf 1 oktober 2014 opgetrokken van 10 naar 25 procent. Aan de invoering van die verhoogde belasting koppelde de regering een overgangsregeling waarmee ze een massale ontbinding en vereffening van vennootschappen wil vermijden. Die houdt in dat vennootschappen, als ze een aantal voorwaarden naleven, op de bestaande reserves een definitieve heffing van 10 procent kunnen betalen. Op zich is er niets mis met een overgangsregeling die ondernemingen toelaat een aangekondigde belastingverhoging te vermijden. Maar vanaf het begin zijn er vragen gerezen over de praktische toepassing van die regeling, over de coördinatie van die maatregel met het vennootschaps- en het boekhoudrecht en vooral over de krappe timing voor bepaalde vennootschappen. Met omzendbrieven heeft de administratie de nieuwe regeling de afgelopen maanden toegelicht en een aantal versoepelingen toegestaan, om een vlotte toepassing van de maatregel mogelijk te maken. Maar lang niet alle onzekerheid is daardoor verdwenen. Er blijft grote ongerustheid bestaan over de vraag of alle fiscale ambtenaren de versoepelingen in die circulaires ook echt zullen toepassen, en of alle rechters zich eraan zullen houden. De accountants en de boekhouders koesteren daar argwaan over. Ze adviseren ondernemingen en verlenen hun volle medewerking om het fiscale beleid van de overheid te doen slagen. Hun zorg is te weten of die overheid hen zal steunen als controleurs, of afstand zal nemen van die soepele overgangsmaatregelen. Ook bij de verlaging van de roerende voorheffing van 25 naar 15 procent op dividenden hebben de cijferberoepen een onaangenaam gevoel. Tot voor enkele jaren gold voor kmo-vennootschappen die hun kapitaal met vers geld hadden gefinancierd onder bepaalde voorwaarden een verlaagde voorheffing van 15 procent op de dividenden. Die verlaging werd in 2013 ongedaan gemaakt, toen het tarief van de roerende voorheffing voor alle uitkeringen op 25 procent werd gebracht. Midden 2013 werd aan kmo's opnieuw de mogelijkheid geboden om, na de inbreng van vers kapitaal, de verlaagde voorheffing van 15 procent te genieten op hun dividenden. Maar is die verlaging -- die ten vroegste een uitwerking kan hebben in 2016 -- gewaarborgd? Zal die verlaging dan nog bestaan? Sommige verkiezingsprogramma's voeden die onzekerheid. De ongerustheid van de cijferberoepen houdt een belangrijke boodschap in voor alle beleidsverantwoordelijken. Met het oog op het grondwettelijk gewaarborgde wettelijkheidsbeginsel moet de overheid dringend werk maken van een procedure die een duidelijke fiscale wetgeving waarborgt. Bovendien moet de overheid de engagementen nakomen die ze aan bepaalde fiscale handelingen verbindt. Het eenjarigheidsbeginsel van de fiscale wetgeving, dat ook in de Grondwet ingeschreven staat, mag dat niet in de weg staan. Op een gegeven woord wordt niet teruggekomen. Burgers en ondernemingen die hun gedrag afstemmen op een aanbod van de overheid om een fiscaal voordeel te genieten, mogen daar later niet in worden ontgoocheld. Met of zonder verkiezingen. Luc Maes is voorzitter van de Fiscale Hogeschool en hoofdredacteur ad interim van Fiscoloog. LUC MAESDe overheid moet dringend werk maken van een procedure die een duidelijke fiscale wetgeving waarborgt.