Er zijn sectoren die in crisistijd rekenen op overheidsopdrachten als reddingsboei om te overleven. Vraag dat maar aan de bouwaannemers van deze wereld. En er zijn sectoren die bijna uitsluitend drijven op het leveren van diensten of goederen aan de overheid. Wie anders koopt er bijvoorbeeld treinen?
...

Er zijn sectoren die in crisistijd rekenen op overheidsopdrachten als reddingsboei om te overleven. Vraag dat maar aan de bouwaannemers van deze wereld. En er zijn sectoren die bijna uitsluitend drijven op het leveren van diensten of goederen aan de overheid. Wie anders koopt er bijvoorbeeld treinen? De gezamenlijke overheden in de Europese Unie schrijven jaarlijks voor zo'n 2000 miljard euro openbare aanbestedingen uit. De markt van overheidsopdrachten is groot, maar niet zonder problemen. Zeker niet in ons land. Getuige daarvan het recente debacle met de hogesnelheidstrein Fyra of het toegenomen aantal betwistingen bij de Raad van State. Volgens cijfergegevens van het advocatenkantoor Stibbe stijgt het aantal betwistingen de jongste jaren door de toegenomen complexiteit (zie grafiek). "Vanzelfsprekend is niet elke klacht gegrond", zegt Frederik Vandendriessche, partner bij Stibbe en professor aan de universiteiten van Gent en Antwerpen. "Maar dat er in ons land opvallend meer betwistingen zijn dan in onze buurlanden, zegt wel iets over de Belgische wetgeving voor overheidsopdrachten." Bij de Raad van State leidt de jongste jaren ongeveer een op de vier betwistingen over openbare aanbestedingen tot een vernietiging of schorsing van de gunningsbeslissingen. "Dat betekent niet dat er veel wordt gesjoemeld", benadrukt Vandendriessche. "Het is gewoon een kwestie van complexiteit. Je moet maar de arme ambtenaar zijn die ICT-infrastructuur moet aankopen. Dat is bijna niet meer te doen zonder vormfouten. Je kan spreken van een Europees fenomeen, maar België maakt het nog moeilijker door alles meer in detail te willen regelen." De Europese richtlijn over overheidsopdrachten legt een verplichte gunningsprocedure op voor werken met een geraamde contractwaarde van meer dan 5 miljoen euro en voor diensten of goederen die meer dan 200.000 euro kosten. Dat betekent dat je als overheid de opdracht bekend moet maken, zodat in principe bedrijven uit de hele EU op de hoogte zijn en kunnen meedingen naar het contract. Maar de markt van overheidsopdrachten blijft grotendeels lokaal. In slechts 7 procent van de gevallen krijgt een buitenlands bedrijf het contract. Dat strookt niet meteen met de Europese gedachte van een eengemaakte markt. De redenering is: hoe minder grenzen meespelen bij het toekennen van overheidsopdrachten, hoe meer keuze een overheid krijgt en, bij uitbreiding, hoe meer waar ze voor haar geld kan krijgen. Anders gezegd: administratieve procedures moeten het selectieproces objectief maken en de kans bieden de goedkoopste of meest economische keuze te maken. Alleen blijkt dat lang niet altijd het geval. "Het is een beetje naïef te denken dat je automatisch het beste resultaat krijgt als je maar alle ondernemingen gelijke kansen biedt", stelt Frederik Vandendriessche. "We zien intussen dat de aanbestedingsprocedures iedereen misschien wel gelijk behandelen, maar dat op die manier niet per definitie de beste oplossing het haalt." Dat spanningsveld inspireert Europa om zijn richtlijn de komende jaren te herzien. Naar verluidt kan de vernieuwde versie tegen 2015 klaar zijn. Dat is niet de eerste keer. In 2004 werd de EU-richtlijn voor openbare aanbestedingen al een keer geactualiseerd. Het was de bedoeling dat elke lidstaat die geactualiseerde richtlijn tegen 2007 zou invoeren. Zoals bekend is ons land niet de beste leerling van de klas als het gaat over het omzetten van Europese richtlijnen in nationale wetgeving. De wet op overheidsopdrachten is daarvan een goed voorbeeld. "De Belgische wet die wij hanteren, dateert eigenlijk van 1993", weet Jeroen De Mets van het Gentse kantoor Frans Baert en vennoten. "Ze is weliswaar met knip- en plakwerk bijgewerkt, maar fundamenteel zijn we nog steeds bezig de Europese richtlijn van 2004 te implementeren. Die is vertaald in een Belgische wet, die het federale parlement in 2006 heeft goedgekeurd. Maar die wet kan pas in werking treden als de uitvoeringsbesluiten er ook zijn. Zeven jaar later is dat nog altijd niet helemaal het geval." Vorige week is wel een flinke stap in de goede richting gedaan. Nagenoeg alle uitvoeringsbesluiten -- op het KB voor de inwerkingtreding na -- zijn nu klaar. België zou naar verluidt vanaf 1 juli kunnen werken volgens de Europese richtlijn van 2004. Een van de belangrijke redenen voor de vertraging bij de uitvoering van de richtlijn, is het feit dat ons land strenger probeert te zijn dan de Europese richtlijn. Zo hebben de meeste landen enkel procedures ingevoerd voor bedragen die hoger liggen dan de opgelegde drempelwaarden van 5 miljoen euro voor werken en 200.000 euro voor diensten en goederen. Daar passen ze de Europese richtlijn toe. Maar België gaat verder dan dat. Ons land past onder die drempelbedragen gelijkaardige procedures toe. Hier moet je vanaf 67.000 euro een openbare aanbesteding publiceren in het bulletin van aanbestedingen, eigenlijk een bijlage van het Staatsblad. De opdrachtgevende overheidsinstelling publiceert een aanbesteding zodat alle firma's die zijn geïnteresseerd kunnen meedingen naar de opdracht. Tussen 5500 en 67.000 euro is er geen publicatieplicht, maar moet de opdrachtgever minimaal drie firma's aanschrijven voor een offerte. Bovendien heeft ons land ook bepalingen over hoe het traject moet verlopen zodra de opdracht is gegund. Die typecontracten aanpassen aan de richtlijn van 2004 blijkt lastiger te zijn dan gedacht. Peter Rabaey staat aan het hoofd van de centrale afdeling voor overheidsopdrachten bij de Vlaamse overheid. Hij bevestigt de achterstand van België, maar relativeert ook de problemen. "België is traag in het omzetten van richtlijnen", zegt hij. "Dat heeft nadelen, maar ondertussen draait de wereld wel voort. Het is niet zo dat er geen contracten meer afgesloten kunnen worden." Je zou kunnen stellen dat België door zijn ingewikkelde regelgeving alsnog een vorm van marktbescherming organiseert. Want als je ook voor opdrachten tussen 67.000 en 5 miljoen euro een heleboel verplichtingen en procedures handhaaft, dan schrikt dat ongetwijfeld buitenlandse opdrachtgevers af. Uit gegevens van de Vlaamse overheid blijkt dat van de bijna 1700 overheidsopdrachten in 2012, hooguit 4 procent werd uitgevoerd door buitenlandse spelers. "Dat heeft veel te maken met het feit dat onder de Europese drempel buitenlandse spelers minder interesse betonen", zegt Rabaey. "Bovendien hebben sommige van hen ook een vestiging in België en worden ze dus niet als buitenlandse firma gezien." Professor Vandendriessche benadrukt dat de administratieve last misschien wel buitenlandse spelers afschrikt, maar in elk geval eerder ongunstig werkt voor de lokale spelers. "De complexe administratieve winkel onder de Europese drempel maakt het Belgische bedrijven lastig, terwijl die eigenlijk juridisch niet nodig is. Dat zou België kunnen oplossen. Ik denk dat de oplossing in minder regels ligt. Want uiteindelijk zijn moderne ambtenaren ook integere mensen. Detaillistische regels opstellen om zeker te zijn dat een ambtenaar geen fouten maakt, daar zijn andere controlemechanismen voor, zoals de interne audit." ROELAND BYL"Je moet maar de arme ambtenaar zijn die ICT-infrastructuur moet aankopen. Dat is bijna niet meer te doen zonder vormfouten" Frederik Vandendriessche, advocaat "De wereld draait wel voort. Het is niet zo dat er geen contracten meer afgesloten kunnen worden" Peter Rabaey, Vlaamse overheid