De verhalen over het Duitse jobmirakel en de kritiek van de werkgevers op de Belgische loonkostenhandicap veroorzaken ergernis bij de vakbonden. Het ACV zegt dat de Belgische loonkostenhandicap niet heeft verhinderd dat ons land, vergeleken met de drie buurlanden, veel betere werkgelegenheidsprestaties heeft neergezet. Volgens de vakbond is de Belgische werkgelegenheid in de privésector sinds 1996 met 12 ,1 gegroeid tegenover 4 procent in de buurlanden (zie grafiek Evolutie werkgelegenheid in België tussen 1996 en 2009). In Duitsland is de voltijdse tewerkstel...

De verhalen over het Duitse jobmirakel en de kritiek van de werkgevers op de Belgische loonkostenhandicap veroorzaken ergernis bij de vakbonden. Het ACV zegt dat de Belgische loonkostenhandicap niet heeft verhinderd dat ons land, vergeleken met de drie buurlanden, veel betere werkgelegenheidsprestaties heeft neergezet. Volgens de vakbond is de Belgische werkgelegenheid in de privésector sinds 1996 met 12 ,1 gegroeid tegenover 4 procent in de buurlanden (zie grafiek Evolutie werkgelegenheid in België tussen 1996 en 2009). In Duitsland is de voltijdse tewerkstelling amper toegenomen sinds 1996. Geen Duits jobmirakel dus, maar wel een Belgisch? Chris Serroyen, hoofd van de ACV-studiedienst, benadrukt dat we voor Duitsland rekening moeten houden met de onderinvestering in de binnenlandse vraag, een strenger migratiebeleid en het uitzweten van de eenmaking op de Oost-Duitse arbeidsmarkt. Waar komt de sterk gestegen tewerkstelling in België vandaan? Een vaak aangehaalde verklaring is dat die vooral van de private non-profit en de dienstenchequesbedrijven komt. Alleen al het aantal werknemers dat met dienstencheques aan de slag is, bedroeg vorig jaar 120.000. "De private non-profit is een sterke groeier geweest, maar dat kan maar een gedeeltelijke verklaring bieden. Trouwens, ook Duitsland heeft zijn diensten aan particulieren sterk ondersteund, maar dan door een politiek van zeer lage lonen." Volgens het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) is het duidelijk dat een groot deel van de nieuwe jobs in de privésector in de quartaire sector is gecreëerd. Geert Vancronenburg van het VBO verwijst naar de arbeidsuren die er sinds 1996 bijkwamen. In de top vijf van sectoren waar het meeste aantal uren voor werknemers is gecreëerd, vinden we onder andere de gezondheidszorg en de dienstencheques terug. Het VBO plaatst nog andere kanttekeningen bij de cijfers van het ACV. "Zo wordt het beginjaar 1996 voor alle landen op 100 gezet. Natuurlijk was de beginsituatie voor al deze landen niet gelijk. In 1996 bedroeg de werkgelegenheidsgraad in België bijvoorbeeld 56,2 procent tegenover 59,5 procent in Frankrijk, 64,1 procent in Duitsland en 66,3 procent in Nederland." Uit de cijfers van het ACV komt vooral de sterkere stijging van de private werkgelegenheid in voltijdse equivalenten in België naar voren, maar dat komt niet tot uiting in het verloop van de werkgelegenheidsgraad, de verhouding tussen de werkende bevolking en de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Tussen 1996 en 2009 is de werkgelegenheidsgraad in België maar met 5,4 procentpunt gestegen tegenover 4,7 procentpunt in Frankrijk, 6,8 procentpunt in Duitsland en 10,7 procentpunt in Nederland (zie grafiek Werkgelegenheidsgraad). "Een van de redenen is dat de bevolking op arbeidsleeftijd in België sneller groeit dan in onze drie buurlanden. We moeten met andere woorden veel meer jobs creëren, alleen maar om dezelfde stijging in werkgelegenheidsgraad als onze drie buurlanden te bekomen", legt Vancronenburg uit.