De lonen stegen in België in 2008 met 5,9 procent, zo blijkt uit recente cijfers. Niet voor niets zijn de hoge loonkosten bij de belangrijkste redenen voor onze zwakke competitiviteit. Een andere belangrijke factor wordt daarbij geregeld over het hoofd gezien: het feit dat er in ons land te weinig verschil bestaat tussen de hoge en de lage lonen. Een te beperkte loonspanning, zoals economen dat noemen (zie ook blz. 6).
...

De lonen stegen in België in 2008 met 5,9 procent, zo blijkt uit recente cijfers. Niet voor niets zijn de hoge loonkosten bij de belangrijkste redenen voor onze zwakke competitiviteit. Een andere belangrijke factor wordt daarbij geregeld over het hoofd gezien: het feit dat er in ons land te weinig verschil bestaat tussen de hoge en de lage lonen. Een te beperkte loonspanning, zoals economen dat noemen (zie ook blz. 6). Verschillende onderzoeken tonen dit duidelijk aan. De 20 procent Belgen met het hoogste inkomen verdient 2,9 keer het loon van de laagste 20 procent. Het gemiddelde van de eurozone ligt met 4,4 een stuk hoger. Volgens Eurostat zijn de hoogste Belgische brutolonen gemiddeld 3 keer hoger dan de laagste. Enkel in Italië en de Scandinavische landen is het verschil nog kleiner. Is dat een probleem? Zeker wel. Een moderne en goed functionerende economie heeft nood aan een zekere loonspanning. Zo zijn loonverschillen noodzakelijk om talent aan te trekken. Weinig loonspanning betekent dat sommige medewerkers relatief onderbetaald zijn en dat het dus moeilijker wordt om ze aan te trekken of te behouden. Daarnaast hebben verschillende studies aangetoond dat meer loonongelijkheid de productiviteit doet toenemen. En sterke productiviteitsstijgingen heeft België meer dan nodig. Uit het jongste rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing blijkt dat de kosten van de vergrijzing een stuk hoger zullen zijn indien België er niet in slaagt de gemiddelde productiviteitsgroei op te trekken. En de vooruitzichten zijn zorgwekkend. Vorig jaar ging de commissie nog uit van een jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,75 procent. Nu wordt uitgegaan van 1,5 procent. Grotere loonverschillen zijn dus nodig. Dit betekent niet dat de inkomens voor minder productieve jobs plots omlaag moeten en mensen tegen een hongerloon werken. Behoorlijke lonen voor laaggeschoolden zijn zelfs noodzakelijk, zodat het aantrekkelijker is om te werken dan in de werkloosheid te blijven. Om de loonspanning te doen toenemen is het wenselijker om de lonen voor een belangrijk deel te verbinden aan resultaatsgebonden criteria. Het Belgische overlegmodel met zijn sectorale minimumlonen en loonbarema's op basis van leeftijd betonneert de loonstructuren. Daar moet verandering in komen. De Europese verplichting om beloning niet langer te laten afhangen van leeftijd (wie ouder is, verdient meer) is een goede zaak. In België is immers tot de helft van de loonvariatie toe te schrijven aan een leeftijdseffect. In tal van sectoren is men al afgestapt van de leeftijdsbarema's, maar de aanpassingen hebben veel weg van een amper afgezwakte vorm van leeftijdsbeloning. Zo wordt ervaring als criterium gehanteerd, maar worden periodes van inactiviteit (tijdskrediet, ziekte,...) volledig of deels meegerekend. Onder andere in het sectoraal akkoord van het paritair comité 218 voor 400.000 bedienden werden die gelijkstellingen onder druk van de vakbonden verbeterd. Beter ware geweest om een combinatie in te voeren van ervaringscriteria en resultaatsgebonden beloning.Door Alain MoutonMeer loonongelijkheid doet de productiviteit toenemen. En sterke productiviteitsstijgingen heeft België meer dan nodig.