In november zijn het verkiezingen in Nederland en het christendemocratische CDA stelde vorige week zijn verkiezingsprogramma voor. Een opvallend element was de terugkeer naar een veertigurenweek. Dat doet denken aan de zomer van 2004, toen het VBO ook voorstelde om de arbeidsduur te verlengen. De vakbonden reageerden furieus en het interprofessioneel overleg van het najaar werd er zwaar door gehypothekeerd.
...

In november zijn het verkiezingen in Nederland en het christendemocratische CDA stelde vorige week zijn verkiezingsprogramma voor. Een opvallend element was de terugkeer naar een veertigurenweek. Dat doet denken aan de zomer van 2004, toen het VBO ook voorstelde om de arbeidsduur te verlengen. De vakbonden reageerden furieus en het interprofessioneel overleg van het najaar werd er zwaar door gehypothekeerd. Het ziet er niet naar uit dat de Belgische werkgevers die fout tweemaal zullen maken. Dat is maar goed ook, want de veertigurenweek mag in België niet het eerste doelwit zijn. Het CDA wil de veertigurenweek invoeren om zo het nijpende tekort aan personeel op te vangen. De Nederlanders zullen dan ook meer betaald worden voor de twee extra uren. In België ligt de focus bij de veertigurenweek op de loonkosten. Het VBO stelde een arbeidsduurverlenging voor met een gelijkblijvend loon. Dat lijkt minder pijnlijk dan evenveel werken en minder verdienen (loonmatiging). In een situatie met veel werklozen is de loonmatiging echter een meer solidaire formule dan de arbeidstijdverlenging. En in een vakbondslogica eigenlijk verkieslijker. België heeft andere prioriteiten. Er is ten eerste het belangrijkere probleem van het langer werken over de hele carrière. In ons land is de reële pensioenleeftijd een van de laagste van Europa. Het Generatiepact heeft een zeer schuchtere poging gedaan om daaraan iets te veranderen. Maar het onmiddellijke effect is verwaarloosbaar en iedereen rekent nu op een mentaliteitsverandering. Eerder vaag. En meer inspanningen zijn welkom. Veel belangrijker dan veertig uur werken is flexibiliteit. Een eerste voorbeeld is de arbeidstijd, berekend op jaarbasis. In de lente bijvoorbeeld 32 uur werken en dat compenseren door in de herfst er 45 te doen. De CAO uit de automobielsector is daar een voorbeeld van. Daar wordt de arbeidstijd gekoppeld aan de levensduur van een model. Meer op het hoogtepunt van de verkoop, minder aan het einde van de carrière van het model. Tweede voorbeeld is een beter systeem van overuren. Overuren moeten goedkoper en makkelijker afdwingbaar worden (dat wil zeggen zonder voorafgaande goedkeuring van de vakbond). De regering-Verhofstadt heeft daartoe al een initiatief genomen. Zij het alleen op financieel vlak, want de vakbonden geven niet graag de controle uit handen. Derde voorbeeld: mogelijkheden om de machinetijd te verhogen. Bedrijven zijn er veel meer bij gebaat om hun machines langer te laten draaien dan dat werknemers twee uur langer werken. Ook daar zijn al maatregelen genomen: de kost van ploegenarbeid is verminderd. Deze drie voorbeelden komen vooral de industrie ten goede. Maar die is ook het felst belaagd in de internationale concurrentie. In de dienstensector is minder gebeurd. Maar ook daar is een veertigurenweek niet de eerste vereiste. In een creatieve economie is 38 of 40 uur werken niet de essentie. Creatief werken vraagt in de eerste plaats flexibiliteit. Om in de eigen achtertuin te blijven: een journalist die een zwaar dossier aanpakt, is zestig uur aan de slag en zal dat graag de volgende week compenseren met een 'light-werkweek'. Dat zware dossier zal zijn werkgever - via een hogere verkoop - meer opleveren dan wanneer de journalist twee weken lang twee uur langer zou werken. Guido Muelenaer