Beleggen voor stoïcijnen

Sommige aandelen schommelen, andere zitten op de wipplank en nog andere maken een doodsmak. Diversificatie in de portefeuille is de boodschap, maar dat is niet altijd makkelijk.

Het woord risico wordt makkelijk in de mond genomen, maar de gewoonte van financiële studies om risico (bij gebrek aan beter) te meten als de standaardafwijking van de returns aan de hand van de waargenomen schommelingen in de totale opbrengsten van een (portefeuille of index van) beleggingen in het verleden, mag niet wegnemen dat ons persoonlijk aanvoelen van risico ergens anders ligt.

Ik ken weinig mensen die klagen over koersschommelingen op zich. Je went eraan dat ook goede stukken in waarde dalen, en dan als aan een jojo terugkomen (zoals onlangs met Nokia). Dergelijke koersschommelingen bieden prachtige mogelijkheden om er op de piek uit te gaan en in het dal weer in te treden.

Risico krijgt een andere betekenis als de koers van een aandeel daalt en je plots moet constateren dat het nooit meer goed komt, dus dat je met een blijvend verlies achterblijft, zoals met Xeikon, L&H, Enron en zo meer. Ook op een wip beleef je schommelingen, maar je verwacht omhoog, omlaag, en weer omhoog, en niet dat die kerel aan de andere kant eraf springt.

Bij beleggen bestaat er een risico dat de tegenpartij eronderdoor gaat. Spring je van een te hoge wipplank, dan suis je naar beneden, en bij gebrek aan een bungeedraad raak je plots nooit meer boven. Of gooi ik met een boemerang, dan zegt de theorie dat het verrekte ding na een ruime swing moet terugkeren, maar dat gebeurt alleen bij Crocodile Dundee en niet bij mij. Met Xerox en Real Software weten we nog niet of de boemerang gaat terugkomen.

Wat je als belegger wil vermijden, is niet zozeer het risico van de schommeling (gemeten door de standaardafwijking), maar de kans op een blijvend verlies. Anders gezegd, eigenlijk zijn de meesten onder ons niet afkerig van risico in de zin dat we geen schudding aankunnen, maar we zijn als de dood voor een crash van een titel.

Om het risico te beperken, raadt de financiële theorie ons aan te diversifiëren in onze portefeuille. Dat kan, zegt de theorie, door titels voor de portefeuille te selecteren die zwak of negatief met elkaar gecorreleerd zijn. Maar zoals de hoofdstrateeg van KBC, Luc Van Hecke, in een recent artikel in De Financieel-Economische Tijd laat opmerken, is risicodiversificatie in de praktijk niet zo makkelijk.

Voor een stuk Europees beleggen en voor een stuk Amerikaans geeft wel internationale diversificatie, maar uiteindelijk levert dat niet zoveel diversificatie van risico op wanneer we het wisselkoerseffect wegcijferen. De Europese en Amerikaanse beurzen lopen nu eenmaal parrallel. Dat komt omdat de globalisering van de kapitaalmarkt totaal is, en één rentevoet de wereld regeert.

Tijdens de naoorlogse periode van 1952 tot 1997 had de Belgische returnindex een reële return van 6,6% en een standaardafwijking van 16%. Wat een stuk lager was dan de standaardafwijking van Dow Jones of S&P500. Het palet bedrijven dat deel uitmaakte van de Belgische index was met PetroFina, Generale Maatschappij, AG, Royale Belge, Electrafina, Tractebel, BBL tijdens die periode veel gediversifieerder dan vandaag. Belangrijke grote noteringen en mid-caps zijn uit Brussel vertrokken. We kunnen dus niet zo hoopvol zijn over de toekomstige standaardafwijking van de Bel20.

Maar ook met een reële return van 6,6% en een ‘kleine’ standaardafwijking van 16% kan een portefeuille die uitsluitend in aandelen is belegd, verrassend venijnig uit de hoek komen, zelfs al crasht geen van de titels in de portefeuille. De zo geprezen langetermijneigenschappen van aandelen zijn, als het allemaal tegenvalt, slechts over een horizon van zeven of acht jaar te ontwaren. Lang voortdurende verliezen zijn dus best mogelijk, in het bijzonder na een lange exuberante klim van de internationale beurzen.

Het belang van een geleidelijke opbouw van een positie door regelmatig te blijven beleggen, zoals de VFB-Naic-methode aanbeveelt, kan niet genoeg worden onderstreept. De onfortuinlijke particulier die kocht op de piek van 1929 moest wachten tot 1955 om zijn geld terug te zien. Zij die in de markt gingen op het hoogtepunt van 1966 kwamen weer boven water tegen 1995, en de argeloze beleggers die in december 1972 aan boord sprongen, moesten een vol decennium wachten voor ze weer op beide oren konden slapen.

Dit alles betekent echter niet dat u niet in aandelen moet beleggen, integendeel. Het betekent wel dat u een strategische opstelling nodig hebt voor het geval er brokken vallen. Daarover de volgende keer meer.

Emiel Van Broekhoven

De auteur is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Vlaamse Federatie van Beleggingsclubs en Beleggers (VFB).

De langetermijneigenschappen van aandelen zijn soms slechts over een horizon van zeven of acht jaar te ontwaren.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content