De auteur is correspondent voor The Economist in Brussel.
...

De auteur is correspondent voor The Economist in Brussel. In 2004 werkt de Europese Unie de laatste details uit voor een nieuwe Europese grondwet en op 1 mei worden de tien nieuwe leden verwelkomd: de eilanden Cyprus en Malta, evenals Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. Nieuwe politieke structuren zullen de doelstelling van Europese eenheid bevorderen, maar de EU zal ook te kampen krijgen met problemen die de lidstaten als nooit tevoren dreigen te verdelen. De opstelling van de grondwet zal de spanningen in verband met het machtsevenwicht tussen de lidstaten van de Europese Unie duidelijk aan het licht brengen. Dat bleek al pijnlijk op de mislukte top van Brussel midden december 2003. De verwachte referenda over de constitutie in diverse landen kunnen dan ook leiden tot een politieke crisis, als één of meer landen ze verwerpen. De uitbreiding zal ook de kloof tussen de rijkste en armste lidstaten dramatisch vergroten, wat onvermijdelijk zal leiden tot een strijd om de beschikbare middelen. Geschillen over de behandeling van Irak en de wijze waarop de oorlog tegen het terrorisme gevoerd wordt, zullen zorgen voor aanhoudende spanningen tussen de atlantici en de aanhangers van Europa eerst, waarbij Groot-Brittannië en Polen het pro-Amerikaanse kamp aanvoeren, terwijl Frankrijk en Duitsland streven naar een grotere Europese autonomie. Intussen zal het onvermogen van Duitsland en Frankrijk om hun begrotingstekorten binnen de perken te houden, leiden tot een levensgrote rel over het management van de Europese eenheidsmunt. Het ontwerp van grondwet, waarover een akkoord werd bereikt binnen de Conventie (met de voormalige Franse president Valéry Giscard d'Estaing als voorzitter en de voormalige Belgische premier Jean-Luc Dehaene als vice-voorzitter) biedt onvermijdelijk nog heel wat stof voor gekibbel. De vier grootste leden (Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië) vrezen dat de EU dreigt overspoeld te worden door kleine landen. De groten willen dan ook een punt zetten achter de overeenkomst dat elk land een Europees commissaris krijgt. Ze willen ook een permanenter presidentschap van de Unie invoeren in vervanging van het huidige systeem, waarbij elk land om beurt zes maanden de Unie voorzit. Tevens willen ze een nieuw gewicht toekennen aan de stemmen in de raad en het parlement, waar de wetten van de EU gemaakt worden, om de oververtegenwoordiging van de belangen van de kleine landen te verdunnen. De kleintjes hebben een afkeer van de wijzigingen. De weerspannigstte onderhandelaars zullen Spanje en Polen zijn, middelgrote landen die heel wat te verliezen hebben bij een herweging van de stemmen. Komt men tot een overeenkomst, dan duiken er meteen nieuwe problemen op. Opdat de grondwet ingevoerd kan worden, moet ze geratificeerd worden door alle leden. Enkele landen houden in 2004 een referendum over de tekst. Waarschijnlijk zal het tot een riskante stemming komen in Ierland en Denemarken, twee landen die in het verleden al EU-verdragen hebben verworpen. Een tegenvaller zou ook uit onverwachte hoek kunnen komen, uit Nederland, dat voor het eerst in zijn geschiedenis een referendum over een EU-verdrag gaat houden. Traditioneel behoorden de Nederlanders tot de meest vurige Europabouwers, maar ook zij vertonen steeds meer tekenen van euroscepsis. De uitbreiding zal alle activiteiten van de Unie drastisch veranderen. Vergaderingen zullen langer duren. Het gevaar bestaat dat de oude leden de veel armere nieuwkomers uit de hoogte behandelen en tegen zich in het harnas jagen. Het verschil in rijkdom zal tot spanningen over de financiering leiden. De nieuwe landen zullen zich ervan willen vergewissen dat ze een eerlijk deel krijgen van de regionale hulp en de steun aan de landbouw, samen goed voor 80 % van het budget. Maar de landen die op dit ogenblik wel varen bij het systeem, zoals Spanje, zien niet graag dat de geldstroom een nieuwe richting krijgt. De nettobetalers aan het systeem - vooral Duitsland, Groot-Brittannië en Nederland - zullen slechts node dure verplichtingen aangaan. Een aantal onenigheden zal allicht de nieuwe leden opzetten tegen de oude, maar de uitbreiding zal ook kansen creëren voor nieuwe bondgenootschappen. De Britten zullen daarbij kijken naar Midden-Europa (vooral Polen) om zich samen met hen achter het idee te scharen dat de Navo (waarvan ook de Verenigde Staten lid zijn) geen concurrentie mag krijgen als Europa's belangrijkste veiligheidsclub. De Fransen, Duitsers en Belgen zullen hun idee van een autonomere Europese defensie willen doordrukken. De vraag hoe Amerika daarbij aangepakt moet worden, zal de inspanningen om tot een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid te komen, overschaduwen. De beslissende confrontatie komt er over het beheer van de Europese eenheidsmunt. In 2004 zal de Unie eindelijk onder ogen moeten zien dat het stabiliteits- en groeipact - de begrotingsregels die uitgewerkt werden om de euro te beheren - uiteengevallen is. De oorspronkelijke bedoeling was dat geen enkel land een begrotingstekort van meer dan 3 % van het bruto binnenlands product (BBP) mocht oplopen. Landen die deze regel herhaaldelijk zouden overtreden, riskeerden boetes van miljarden euro's. Maar de dreiging met die monsterboetes was nooit geloofwaardig. Frankrijk en Duitsland tarten de EU voortdurend door herhaaldelijk de 3 %-grens te overschrijden - en zich niets aan te trekken van het geraas en getier vanuit Brussel. De instorting van het stabiliteitspact is politiek gezien slecht nieuws. Het zal landen als Nederland en Spanje, die aanzienlijke inspanningen hebben geleverd om te voldoen aan de regels, ontstemmen. Een en ander kan ook de geloofwaardigheid aantasten van andere verbintenissen. Het is nooit een goede zaak wanneer het overtreden van de wet (en het stabiliteitspact heeft kracht van wet) wordt gedoogd. De laatste stuiptrekkingen van het stabiliteitspact zijn dan weer goed nieuws voor de spartelende Europese staatshuishoudingen, althans op korte termijn. Nu verschillende landen moeten opboksen tegen een recessie, zal 2004 niet precies het goede jaar zijn om een budgettaire bezuinigingscampagne te lanceren. Als de grote economieën een stimulerend begrotingsbeleid willen koppelen aan structurele hervormingen, zouden de Europese economieën zich een beetje kunnen herpakken. De dood van het stabiliteitspact zal echter meteen weer de vraag oproepen die het had moeten beantwoorden: hoe kan je een eenheidsmunt in stand houden met zoveel verschillende nationale budgettaire gedragslijnen? En wat gebeurt er met de munt en met de rentevoeten in de eurozone als bepaalde regeringen hun tekort tot een gevaarlijk peil opvoeren? Gewichtige vragen, maar ze zullen in 2004 zeker geen definitief antwoord krijgen. Gideon RachmanDe uitbreiding zal onver-mijdelijk leiden tot een strijd om de beschikbare middelen.De laatste stuiptrekkingen van het stabiliteitspact zijn goed nieuws voor de spartelende Europese staatshuishou-dingen, althans op korte termijn.