Vorig jaar werd in Vlaanderen 233 miljoen euro gespendeerd aan bedrijfsopleidingen, voor 2002 wordt een factuur van nagenoeg 250 miljoen euro verwacht. Per voltijdse werknemer werden bijna 4,5 dagen uitgetrokken voor externe opleidingen (een opmerkelijke daling, in 1999 waren dat nog zes dagen). Daarnaast werden vijf dagen per werknemer uitgetrokken voor opleiding in het bedrijf zelf. De cijfers stammen van het gespecialiseerde onderzoeks- en adviesbureau Nidap. Er circuleren ook studies die niet de kwanti...

Vorig jaar werd in Vlaanderen 233 miljoen euro gespendeerd aan bedrijfsopleidingen, voor 2002 wordt een factuur van nagenoeg 250 miljoen euro verwacht. Per voltijdse werknemer werden bijna 4,5 dagen uitgetrokken voor externe opleidingen (een opmerkelijke daling, in 1999 waren dat nog zes dagen). Daarnaast werden vijf dagen per werknemer uitgetrokken voor opleiding in het bedrijf zelf. De cijfers stammen van het gespecialiseerde onderzoeks- en adviesbureau Nidap. Er circuleren ook studies die niet de kwantiteit maar de kwaliteit van bedrijfsopleidingen meten aan de hand van de resultaten. Leveren al die miljoenen, tijd en energie ook een tastbaar resultaat op? Dergelijke internationale studies merken weliswaar unisono op dat het meten van opleidingsrendement geen sinecure is, maar concluderen even eensgezind en vooral ontnuchterend dat het effect nauwelijks 10% tot een sporadische uitschieter van 20% bedraagt. Er wordt dus ontzettend veel cursusgeld over de balk gegooid. Bedrijven moeten dringend anders gaan leren, zo merken specialisten als Etienne Wenger op. In 1998 publiceerde hij al een taai theoretisch exposé over communities of practice, zeg maar praktijkgemeenschappen (in navolging van de kwaliteitsleer worden ze in bedrijven ook praktijkkringen genoemd). Wenger legt uit dat praktijkgericht leren het efficiëntst gebeurt op het werk zelf, in informele groepen, die hun kennis spontaan aan elkaar doorgeven. Je hebt wel een open sfeer nodig en een groep die zich ook een groep voelt, die gemeenschappelijke waarden huldigt. Het gaat bovendien om leerstof die meteen toepasbaar is. Denk maar aan programmeurs die bij de koffie elkaar een probleem voorleggen of aan ingenieurs die terloops de jongste snufjes uit hun vakgebied uitwisselen. De vraag is nu hoe dat terloopse en spontane karakter van zulke informele leergroepen in zekere mate gemanaged kan worden. Die vraag licht Wenger toe in het kersverse Cultivating Communities of Practice. Samen met de consultants Richard McDermott en William Snyder heeft de Californische leerdeskundige Wenger zijn concept nu in een toegankelijker en praktischer register getransponeerd naar de bedrijfswereld. Als ook het aantal artikels in prestigieuze managementbladen als de Harvard Business Review nog altijd een goede graadmeter zijn, heeft het begrip communities of practice nog een florissante toekomst voor de boeg in de kennismaatschappij. Luc De Decker [{ssquf}]Etienne Wenger, Richard McDermott & William Snyder, Cultivating Communities of Practice. Harvard Business School Press, 284 blz., 42,90 euro. Verkrijgbaar bij Acco Leuven. Tel.: 016-29 11 00, fax: 016-20 73 89.