Tijdens de top van Lissabon in 2000 stemden de EU-lidstaten de violen over economische groei en de rol van de ICT-sector daarin. De bijeenkomst werd afgesloten met een opvallend ambitieuze doelstelling: tegen 2010 moet de Europese Unie uitblinken in kenniseconomie, wereldwijd aan de top staan wat betreft de uitbouw en het gebruik van informatie- en telecommunicatieproducten en -diensten. De technologische spurt moet er komen om de gevolgen van de industriële verhuis naar lagelonenlanden te counteren. Europese landen moeten nieuwe technologieën omarmen en ze tot sleutel van verdere economische groei maken.
...

Tijdens de top van Lissabon in 2000 stemden de EU-lidstaten de violen over economische groei en de rol van de ICT-sector daarin. De bijeenkomst werd afgesloten met een opvallend ambitieuze doelstelling: tegen 2010 moet de Europese Unie uitblinken in kenniseconomie, wereldwijd aan de top staan wat betreft de uitbouw en het gebruik van informatie- en telecommunicatieproducten en -diensten. De technologische spurt moet er komen om de gevolgen van de industriële verhuis naar lagelonenlanden te counteren. Europese landen moeten nieuwe technologieën omarmen en ze tot sleutel van verdere economische groei maken. Maar vandaag, bijna in de helft van de race, blijft ons land steken op een 'gemiddelde' positie. De ICT-sector zorgt binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) voor 6,4 procent van de particuliere werkgelegenheid en voor 9,7 procent van de toegevoegde waarde in de economie, voor ons land bedragen de cijfers respectievelijk 6,9 en 9,6 procent. Voor de sectorvereniging Agoria een reden om de sector meer in detail te bekijken. " Agoria ICT stapte begin vorig jaar naar ons toe," vertelt Leo Sleuwaegen, economieprofessor aan de KU Leuven en de Vlerick Leuven Gent Management School en hoofdauteur van de nieuwe studie. De Oeso-cijfers zijn volgens hem alleen interessant om grote tendensen van jaar tot jaar te vergelijken. Bij Agoria wilden ze daarentegen weten hoe het de verschillende subsectoren vergaat. Ze wilden een beeld verkrijgen van de activiteiten van Belgische ondernemingen en inzoomen op een aantal specifieke bedrijven. De onderzoekers vroegen cijfers op bij de balanscentrale van de Nationale Bank en legden op basis daarvan de pijnpunten van de sector bloot. "België scoort bepaald mager op economisch vlak én op technologisch vlak," aldus Sleuwaegen. En, zo merkt hij op, die gemiddelde positie is dan ook nog eens voor een groot stuk toe te schrijven aan dochterondernemingen van grote multinationals. Zij exporteren gemiddeld meer, stellen meer mensen tewerk en doen intensiever aan onderzoek. Maar internationale technologiebedrijven voelen er blijkbaar steeds minder voor om in ons land activiteiten te ontplooien. De auteurs vergeleken het aantal jobs in de sector tussen 1996 en 2001, zowel bij Belgische als bij buitenlandse werkgevers. Het was een periode van sterke groei, maar van weinig extra banen. In 1996 stelden buitenlandse ICT-bedrijven in ons land 67.466 mensen tewerk, vijf jaar later was dat cijfer met 9,3 procent gestegen om uit te komen op 73.746. In diezelfde periode steeg de werkgelegenheid bij Belgische ICT-ondernemers echter met 46,7 procent - van 28.559 naar 41.903. "Lokale ondernemingen hebben mooie stappen voorwaarts gezet, maar konden niet snel genoeg groeien om de inkrimping en sluiting van buitenlandse bedrijven op te vangen," aldus Sleuwaegen. Volgens hem is er in ons land zeker nood aan meer nichespelers, snel groeiende ondernemingen die zich specialiseren in specifieke segmenten en op wereldschaal durven denken. "Al kan je dat alleen waarmaken mits de beschikbaarheid van voldoende middelen," zegt Sleuwaegen nog. Zeker na de sluiting van gevestigde waarden als Philips Hasselt kan men zich zorgen beginnen te maken over de aantrekkelijkheid van België als vestigingsland voor buitenlandse ICT-bedrijven. En net zij hebben volgens de auteurs de sleutel tot verdere groei in handen. Sleuwaegen en collega's pleiten naast het ontwikkelen van nichespelers immers ook voor de uitbouw van een aantal vlaggenschepen, dochters van grote multinationals waarrond een cluster van lokale bedrijven kan ontstaan. Die treden op als toeleverancier of zorgen - typisch voor de ICT-sector - voor de integratie van nieuwe technologieën binnen de bestaande bedrijfsinfrastructuur. Dat is niet toevallig de aanpak waar Ierland tien jaar geleden al voor koos. "Ierland is een mooi voorbeeld, maar niet een dat we blindelings moeten volgen," meent Koen De Backer, een van de medeauteurs van de studie. De Keltische tijger groeide eind de jaren negentig van vorige eeuw als kool, dankzij investeringen van bedrijven als Intel, Microsoft of Dell. De Ierse lokroep was er een van relatief lage lonen voor hardwareproducenten, maar het land wordt op dat vlak hoe langer hoe vaker onderboden door Zuidoost-Azië. Dat betekent niet dat men zich zomaar laat afschrijven: vorige week nog mocht de Ierse premier Bertie Ahern het lintje doorknippen van een nieuwe Intel-fabriek; enkele weken eerder kreeg hij een rondleiding in de nieuwe gebouwen van de internetveiling eBay, die in Ierland zo'n 800 mensen tewerkstelt. "Ierland toont dat je als land vooral baat hebt bij een proactief beleid," vindt De Backer. Proactief beleid voeren, dat betekent voor de auteurs in de eerste plaats over voldoende dossierkennis beschikken: weten welke bedrijven het meeste groeipotentieel hebben en zich informeren over hun strategieën. "Je moet niet sleutelen aan je economische troeven om dan te denken dat de buitenlandse investeringen hier als vanzelf zullen neerstrijken. Het is essentieel om te weten welke vlaggenschepen je wilt aantrekken en hoe zij te werk gaan bij een beslissing over een buitenlandse vestigingsplaats. Op basis van die informatie kan je zinvolle maatregelen uitbouwen," meent Leo Sleuwaegen. Martin Hinoul, jarenlang Belgisch technologisch attaché in Los Angeles en tot vorig jaar kabinetschef van Vlaams minister van Economie Jaak Gabriëls (VLD), heeft de Ierse efficiëntie in de praktijk gezien. "Toen ik in Silicon Valley promotie ging voeren voor België als vestigingsland deed ik dat bijna letterlijk door alle huizen af te lopen. Mijn Ierse collega's - ze waren overigens met vijftien terwijl ik er alleen voor stond - waren gewapend met pagina's research en gingen doelbewust praten met ondernemingen waarvan ze de noden en grieven kenden," aldus Hinoul. "Het is een zaak van anticiperen: kijken waar je op technologisch vlak binnen dit en tien jaar wilt staan en uitmaken wie daarin een belangrijke rol kan spelen. Het betekent ook dat je je wetgeving moet aanpassen aan de noden van het volgende decennium. Maar die klik is er hier nog niet gekomen." Een aantal handicaps van ons land is sowieso makkelijk te identificeren. Voor een sector die bij uitstek steunt op menselijk kapitaal zijn de hoge sociale lasten in België erg nefast. Stelt Sleuwaegen: "Er is in het verleden - terecht natuurlijk - veel aandacht geweest voor de hoge lasten in de chemiesector. Welnu, de ICT-sector staat wat dat betreft nog meer onder druk, want terwijl de loonkosten in de chemie gemiddeld 12 % bedragen, gaat het in de ICT al snel over 25 %. Het is zonder twijfel absoluut noodzakelijk kenniswerk te ontlasten om ICT-bedrijven hier te houden en nieuwe initiatieven aan te moedigen," aldus de auteur. Ook op vlak van Onderzoek & Ontwikkeling (O&O) loopt België achter. In de studie wordt gekeken hoe de O&O-uitgaven per sector zich verhouden tot de totale O&O-uitgaven van het land. In die berekening, op basis van cijfermateriaal van de Oeso, krijgen O&O-intensieve sectoren een score boven de 1, terwijl sectoren waar O&O op een laag pitje staat onder de 1 genoteerd staan. Vooral onderzoek naar informatietechnologie schijnt in ons land ver te zoeken, met een erg magere score van 0,04, meteen de slechtste van de hele Oeso-groep. België scoort dan weer wel behoorlijk als het gaat over Beeld, Geluid en Telecom, waar sprake is van een intensiteit van 2,81. De O&O-inspanningen daar zijn wellicht rechtstreeks terug te voeren op bedrijven als Barco en de intussen gesloten vestiging van Philips in Hasselt. "We mogen zeker niet stellen dat de overheid vandaag blind is voor de problemen. Maar een aantal van de meer recente maatregelen, zoals de fiscale ruling, zijn er veel te laat gekomen. Bovendien blijken buitenlandse ondernemingen vaak niet op de hoogte te zijn van dat soort troeven die we nu uiteindelijk toch in handen hebben," meent Sleuwaegen. "Dat zal er wel mee te maken hebben dat België voor buitenlanders een administratief kluwen is, met veel te veel departementen en administraties, veel te veel bureaucratie kortom," voegt hij er nog aan toe. Het zijn niet alleen buitenlandse ICT-reuzen die de sector in ons land een duwtje in de rug kunnen geven, ook de overheid en het onderwijs hebben volgens de onderzoekers een rol te spelen. "Een goede integratie van ICT in het onderwijs kan erg stimulerend werken, ook binnen minder traditionele vormen zoals levenslang leren," vindt De Backer. Sleuwaegen zou graag zien dat de Vlaamse en federale overheden meer investeren in e-government: "Een van de voorwaarden is dan wel dat men zich niet alleen toelegt op de kosten van dat soort projecten, maar ook eens gaat kijken naar de baten voor de economie in de meest brede zin van het woord."Uiteindelijk, stellen de auteurs, is de succesvolle uitbouw van een goed presterende ICT-sector ook een kwestie van marketing. "Het blijkt zo vaak dat we als Belgen te bescheiden zijn over onze prestaties," stelt Bart Van Looy, onderzoeker aan de KU Leuven en coauteur van de studie. Hij verwijst naar een technologie als ADSL die door Alcatel Antwerpen werd ontwikkeld en naar de vele bedrijfjes uit de zogenaamde DSP-valley tussen Brussel en Leuven die naam en faam hebben op het vlak van digitale signaalverwerking. "Zij hebben niet altijd de middelen om zich in het buitenland bekend te maken. Dat is een taak van de overheid en de link met een grotere speler als vlaggenschip kan daarbij zeker helpen," aldus Van Looy. "Als Microsoft aankondigt een nieuwe onderzoeksafdeling te openen op de campus van de universiteit van Cambridge, dan vraag ik me af waarom dat niet in Leuven kan, want beide universiteiten zijn op vele vlakken vergelijkbaar," stelt Martin Hinoul. Hij voegt er meteen aan toe: "Veel heeft mijns inziens te maken met de manier waarop je je land of regio vermarkt."Raphael Cockx"België is voor buitenlanders vaak nog een administratief kluwen, veel te bureaucratisch.