Trends legde de resultaten van zijn onderzoek naar de lonen in de overheidssector voor aan minister van Ambtenarenzaken Luc Van den Bossche (SP), aan Luc Hamelinck, voorzitter van de Christelijke Centrale van de Openbare Diensten (CCOD), en ten slotte aan Frans Fermon, vice-voorzitter van de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD).
...

Trends legde de resultaten van zijn onderzoek naar de lonen in de overheidssector voor aan minister van Ambtenarenzaken Luc Van den Bossche (SP), aan Luc Hamelinck, voorzitter van de Christelijke Centrale van de Openbare Diensten (CCOD), en ten slotte aan Frans Fermon, vice-voorzitter van de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD). Het kabinet van minister Van den Bossche reageerde eerst verbaasd op onze onderzoeksresultaten. Waarna bij monde van woordvoerder Marc Pattyn de mededeling kwam dat de minister het cijfermateriaal eerst nog eens grondig wilde laten analyseren. Frans Fermon (ACOD) twijfelt aan de betrouwbaarheid van het statistisch materiaal. Begin jaren negentig poogde de ACOD ook al eens de lonen van werknemers in de privé- en overheidssector in kaart te brengen, maar die poging mislukte precies omdat de statistieken onbetrouwbaar bleken. Fermon wijst er ook op dat het basisloon in de publieke sector weliswaar hoger ligt dan in de privé-sector, maar dat het aanvullende loon dan weer hoger uitvalt in de privé-sector. En ten slotte meent de vice-voorzitter van de socialistische overheidsvakbond dat men ook niet voorbij kan aan de aanzienlijke extra pensioenvoorzieningen waarvan werknemers in de privé-sector genieten.De meest uitgesponnen reactie kregen we van Luc Hamelinck van de CCOD. Hamelinck verzet zich resoluut tegen de Trends-conclusies. Zijn argumenten kunnen in vier punten worden samengebald:Ten eerste blijft Hamelinck erbij dat de gegevens die aan de basis liggen van grafiek 1 onderling niet coherent zijn: "De cijfers inzake brutoloonmassa en tewerkstelling zijn niet op elkaar afgestemd. Bovendien is teruggaan tot 1970 zinloos omdat de tewerkstelling in de overheidssector toen fors werd onderschat in de officiële statistieken".Hamelincks tweede punt van kritiek slaat op de RSZ-cijfers voor voltijdse equivalenten: "De lokale overheidsdiensten vallen in de RSZ-gegevens buiten de sector Overheid. Maar het gaat hier wel om ongeveer een kwart van het aantal personeelsleden in de overheidssector. Hoe kan je dan op basis daarvan conclusies trekken?"Zinvolle vergelijkingen zijn volgens Hamelinck ook maar mogelijk als er "rekening wordt gehouden met gegevens over leeftijdsstructuur en functieniveaus. Trends doet dat niet. Vergelijkingen die met deze factoren wél rekening houden, kwamen tot heel andere conclusies dan het Trends-onderzoek."Luc Hamelinck besluit met de opmerking dat de gemiddelde ambtenaar niet bestaat; niet zoals men ook niet kan spreken van de gemiddelde werknemer in de privé-sector. "Tussen de verschillende segmenten van de openbare sector kwamen de afgelopen jaren aanzienlijke verschillen inzake loonbeleid tot stand. Trends maakt wel melding van die verschillen, maar gooit in de cijfers niettemin alles op één hoopje".