Sommige ideeën keren met de regelmaat van een klok terug in het publieke debat. Dat geldt zeker voor de oproep van ACV-voorzitter Luc Cortebeeck om de uitgaven voor gezondheidszorg en kinderbijslag niet langer met belastingen op arbeid te financieren.
...

Sommige ideeën keren met de regelmaat van een klok terug in het publieke debat. Dat geldt zeker voor de oproep van ACV-voorzitter Luc Cortebeeck om de uitgaven voor gezondheidszorg en kinderbijslag niet langer met belastingen op arbeid te financieren. De idee van een alternatieve financiering van de socialezekerheidsuitgaven gaat al verschillende decennia mee. Het Antwerpse ACV-ACW-boegbeeld Herman Deleeck kwam er meer dan twintig jaar geleden al mee aandragen. Maar terwijl Deleeck pleitte voor een belasting op de toegevoegde waarde als alternatieve financieringsbron, denkt Cortebeeck - zo blijkt uit zijn Memorandum aan de politieke partijen - vooral aan een vermogensbelasting. Op het eerste gezicht valt er iets te zeggen voor zo'n pleidooi. De belasting op arbeid weegt zwaar op de werkgelegenheid. Diverse economische studies tonen echter aan dat het jobcreërende effect van een verlichting van de belasting op arbeid op termijn in belangrijke mate wordt tenietgedaan als andere belastingen in de plaats komen. Voor werkgelegenheid en economische groei blijkt uiteindelijk de evolutie van de totale belastingdruk binnen de maatschappij van doorslaggevend belang om tot goede prestaties te komen. Niets in het ACV-memorandum wijst er echter op dat de christelijke vakbond een vermindering van de totale lastendruk in België belangrijk vindt. Achter het ACV-pleidooi voor alternatieve financieringsbronnen schuilt met andere woorden een andere agenda dan degene die officieel wordt opgedist. Het ACV vreest dat de escalatie van de uitgaven voor gezondheidszorg zulke proporties zal aannemen dat we op korte termijn minstens een van de volgende drie stappen zullen moeten zetten: ofwel de uitgavenmechanismen fundamenteel herzien, ofwel de belasting op arbeid tot nog destructievere hoogtes opdrijven, ofwel voor een alternatieve financiering zorgen. Aangezien de eerste optie al te diep zou snijden in de financiële belangen van de eigen organisatie, en de tweede optie voor een syndicale organisatie ook niet meteen attractief oogt, kwam het ACV automatisch bij de derde optie uit: de alternatieve financiering. Nochtans ligt de eerste optie - een grondige analyse van de vastgeroeste uitgavenmechanismen - veel meer voor de hand. Tijdens de paars-groene regeerperiode escaleerden de uitgaven voor gezondheidszorg op schrikbarende wijze. Uit gegevens van de Nationale Bank stegen de uitgaven voor gezondheidszorg tussen 1999 en 2002 van 13,1 miljard euro naar 15,5 miljard euro, een toename met 18 %. Ook het ACV zou moeten inzien dat minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke ( SP.A) de uitgaven voor gezondheidszorg niet kon beheersen. Vooral Vandenbrouckes poging bij het begin van zijn ambtstermijn om met een eenmalige operatie de financiering van de gezondheidszorg structureel bij te sturen, ging compleet de mist in. Veel meer dan over de oorsprong van de financiële middelen zou de beleidsdiscussie over gezondheidszorg over de maatschappelijk verantwoorde afremming van de uitgaven moeten gaan. Johan Van Overtveldt