Vorig jaar waren we nog de sterkste stijger in de top 20 van het Global Competitiveness Report, met een sprong van plaats 19 naar 15. Maar die opflakkering was van korte duur. Dit jaar zakken we terug naar de 17de plaats. We werden ingehaald door Noorwegen en Oostenrijk, hoewel het verschil met dat laatste land heel nipt is. Zwitserland en Singapore blijven de nummers 1 en 2. De VS, vier jaar geleden nog het nummer 1, zakt terug naar plaats 7.
...

Vorig jaar waren we nog de sterkste stijger in de top 20 van het Global Competitiveness Report, met een sprong van plaats 19 naar 15. Maar die opflakkering was van korte duur. Dit jaar zakken we terug naar de 17de plaats. We werden ingehaald door Noorwegen en Oostenrijk, hoewel het verschil met dat laatste land heel nipt is. Zwitserland en Singapore blijven de nummers 1 en 2. De VS, vier jaar geleden nog het nummer 1, zakt terug naar plaats 7. De ranglijst van 144 landen wordt al sinds 2001 opgesteld door het World Economic Forum (WEF), op basis van 110 criteria. Die meten de meest uiteenlopende aspecten van de concurrentiekracht van een land: de toestand van het onderwijs en de infrastructuur, de prestaties voor innovatie, de efficiëntie van de arbeidsmarkt en veel meer. "Er zijn nog andere ranglijsten, maar die van het WEF is de meest gedocumenteerde", zegt Leo Sleuwaegen, hoogleraar en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School, die voor de Belgische inbreng zorgde. "Je kunt het de Olympische Spelen van de economie noemen", zegt Wim Moesen, emeritus hoogleraar economie van de KU Leuven, die meewerkte aan de ranglijst. Het WEF gebruikt voor zijn ranglijst zowel harde data, zoals de belastingdruk of het aantal patenten, als niet-meetbare data, zoals de onafhankelijkheid van het rechtsapparaat. "Die zachte data verzamelen we via interviews met bedrijfsleiders", zegt Moesen. "Die krijgen vragen als: wordt een manager in uw land benoemd op basis van kwaliteit en prestaties, of op basis van relaties en tradities? Dat soort informatie zegt veel over de kwaliteit van het management." De Belgische sterkhouders blijven de gezondheidszorg en het lager onderwijs. In dat gegroepeerde criterium halen we een tweede plaats, net als vorig jaar. Voor hoger onderwijs en opleiding stijgen we van plaats 5 naar 4. Bemoedigend is onze klim van 15 naar 11 voor innovatie. "Daar leunen we aan bij Nederland, dat de negende plaats heeft", zegt Moesen. Een zorgenkind is de macro-economische omgeving, waar we op plaats 66 staan, komend van 60. "Dat hebben we te danken aan ons begrotingstekort en schuldgraad", zegt Moesen. "Onze buurlanden doen niet zo veel beter. Duitsland staat op 30, Nederland op 41 en Frankrijk op 68." Voor de instellingen gaapt er wel een kloof met de buurlanden. "Het gaat dan om het functioneren van ons overheidsapparaat in brede zin", zegt Sleuwaegen. "Daarmee kun je het verschil maken. België haalt daar een povere 27ste plaats. Onze buurlanden doen het veel beter. Nederland is het nummer 7, het VK 13 en Duitsland 16." Voor efficiëntie van de arbeidsmarkt zakken we van 44 naar 50. "Onze rigide regels voor loonvorming, aanwerving en ontslag eisen hier hun tol", zegt Sleuwaegen. Erger is het gesteld met ons technologisch absorptievermogen, waar we van de 11de naar de 22ste plaats tuimelen. "Dat criterium meet onze openheid voor nieuwe technologie en onze vaardigheid om ze te gebruiken", zegt Sleuwaegen. "We vinden veel uit, maar zijn te traag in het invoeren en commercialiseren van nieuwe producten en diensten. Zweden staat daar op nummer 1, het VK op 7 en Nederland op 9." De kwaliteit van onze wegen, spoorlijnen, havens en luchthavens boert al jaren achteruit in internationaal perspectief. België staat nu nog op plaats 21, terwijl onze centrale ligging een uit te spelen troef is. "De geleidelijke achteruitgang van onze infrastructuur is zorgwekkend", zegt Sleuwaegen. "Een goede infrastructuur is van fundamenteel belang voor onze toekomstige groei en concurrentiekracht. Vooral de bereikbaarheid van bedrijven en kantoren is zeer belangrijk in de keuze van de locatie van de activiteit." Veel beterschap hoeven we niet meteen te verwachten, omdat de overheid altijd eerst bespaart op investeringen in bakstenen en dus nu relatief weinig uitgeeft aan infrastructuurwerken. Moesen: "Tegen die besparingen is weinig weerstand, omdat de achteruitgang van de infrastructuur langzaam gaat. Maar we hebben te lang geteerd op onze bestaande infrastructuur. De staat van onze schoolgebouwen is daar een voorbeeld van. We doen veel te weinig waardevermeerderend onderhoud en laten na om de 'missing links' te bouwen. Nederland heeft wel al grote inspanningen geleverd. Misschien is de toegevoegde waarde van logistieke activiteiten beperkt, maar deze waarde laten liggen is ook geen optie. We zijn te veel een tussenpersoon in de internationale economie geworden. We moeten veel meer inzetten op onze gunstige ligging." De verstikkende administratieve rompslomp blijft een andere achilleshiel voor de Belgische economie. België bengelt hier op een beschamende 127ste plaats. "Onze ondernemers kampen met een zeer strenge en complexe regelgeving. Die is een gevolg van een gebrek aan visie. Onze besluitvorming is eerder reactief dan proactief. Dat levert een stop- and-go-beleid op dat continu verwarring en rechtsonzekerheid veroorzaakt. Het sleutelen aan de notionele-intrestaftrek en de roerende voorheffing zijn daar mooie voorbeelden van", zegt Sleuwaegen. "Het is de schuld van Napoleon", vervolgt hij. "We gieten alles in zulke strenge regels dat de bureaucratie het ondernemerschap verstikt. Hoe strenger en complexer de voorschriften zijn, hoe minder initiatief er wordt genomen en hoe minder ondernemerschap er is. We rijden ons vast." Moesen verwijst naar de Nelson-doctrine als alternatief. "Admiraal Nelson gaf zijn kapiteins enkel algemene regels mee, en liet hen op het terrein veel ruimte om deze regels te interpreteren en toe te passen. Wij daarentegen gaan veel te veel na of de administratie de vele regels en procedures volgt, en kijken veel te weinig of dit het beste maatschappelijk resultaat oplevert. We geven veel te weinig autonomie aan de ambtenaren om de regels te interpreteren. In het Angelsaksische systeem krijgen ambtenaren meer vrijheid, maar ze moeten achteraf wel veel meer rekenschap afleggen. Overheidsdiensten worden in die landen ook veel meer op hun prestaties beoordeeld. Dat impliceert dat je de administratie doorgedreven professionaliseert en weinig ruimte laat voor politieke benoemingen." Moesen merkt op dat de Belgische overheid zwak scoort in die diensten waar ze over een monopolie beschikt en waar weinig of geen marktwerking is, zoals de administratie, veiligheid of het juridische systeem, precies omdat de prestaties te weinig worden geëvalueerd. "We zijn wel sterk in gezondheidszorg en onderwijs, omdat we daar ook marktwerking kennen. Mensen zijn vrij in hun keuze van school of arts. Dat zet druk op onze scholen en ziekenhuizen om hun klanten waar te leveren voor hun geld." Tot slot, de Belgische belastingdruk. Het is geen geheim dat die bij de hoogste ter wereld hoort, maar nog erger is dat de hoge belastingen meer dan elders de economische activiteit afremmen. België landt op de parameter 'effect van belastingen' op de 140ste plaats. "Objectief is de belastingdruk goed voor de 120ste plaats, maar het subjectieve effect van belastingen resulteert in een 140ste plaats. In Duitsland bijvoorbeeld is die volgorde andersom. Dat toont onze focus op de belastingdruk", zegt Moesen. De ranglijst van het WEF is niet louter informatief en vrijblijvend, want de ranking speelt mee om als land op de shortlist van buitenlandse investeerders te komen. "Tegenwoordig raakt België te weinig op deze shortlist", zegt Sleuwaegen. "Als we kijken naar de puur financiële stromen, lijkt alles nog koek en ei, maar dat is te danken aan de leningen die moederbedrijven geven aan hun dochters. De realiteit is dat we nog weinig grote projecten aantrekken, maar wel veel kleinere investeringen, vooral in verkoop en marketingactiviteiten. Door de hoge arbeidskosten trekken we nog weinig buitenlandse investeringen in de industrie aan. Dat is verontrustend." DAAN KILLEMAES EN JOZEF VANGELDER"Wij zijn te veel een tussenpersoon in de internationale economie geworden. We moeten veel meer inzetten op onze gunstige ligging"