Vanuit de meest bourgondische stad in Nederland ziet het Vlaamse innovatiebeleid er niet onaardig uit. Professor Luc Soete, weldra rector van de Universiteit van Maastricht, was vereerd om voor de tweede keer in vijf jaar het rapport over innovatie in Vlaanderen te schrijven.
...

Vanuit de meest bourgondische stad in Nederland ziet het Vlaamse innovatiebeleid er niet onaardig uit. Professor Luc Soete, weldra rector van de Universiteit van Maastricht, was vereerd om voor de tweede keer in vijf jaar het rapport over innovatie in Vlaanderen te schrijven. Dit keer vroeg minister Ingrid Lieten (sp.a) hem om het Vlaamse innovatiebeleid te evalueren, vijf jaar nadat Soete dat al een eerste keer had gedaan. In 2007 leverde dat negentien concrete aanbevelingen op. Soete en zijn groep experts vonden het Vlaamse innovatielandschap toen te complex en te provincialistisch. En er was te weinig aandacht voor kmo's. Vijf jaar later klinkt Soete, hoewel alles beter kan, behoorlijk lovend. "We zijn Beieren niet, maar we mogen best trots zijn. In de statistieken doen we het beter dan Nederland, zowel in wetenschappelijke citaties als volgens het volume investeringen in innovatie." LUC SOETE. "Vergeleken met vijf jaar geleden is dat het element dat er uitschiet. De spanning tussen een beleid dat zich administratief beperkt tot een bepaalde regio en kennis die zich volledig internationaliseert, is een factor waardoor de overheid in de problemen komt. Ofwel kijkt de overheid dan naar de bedrijven in Vlaanderen en zorgt ze voor een goede koppeling met de Strategische Onderzoekscentra ( SOC's). Dan kom je typisch tot vragen zoals we ze al twintig jaar lezen. Wat brengt imec op aan het Vlaamse bedrijfsleven? Wat is de rol van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) tegenover spin-outs die in Vlaanderen blijven? "Die visie vonden we ook vijf jaar geleden al verouderd. Vragen dat het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Techniek (IWT) controleert of de middelen wel degelijk in Vlaanderen terechtkomen, dat is provincialistisch beleid. Vijf jaar later zie je dat die redenering over wat de valorisering is in Vlaanderen niet volstaat. Je moet internationaal kijken. De vraag luidt: hoe past Vlaanderen in de internationale context en hoe kan een lokale overheid daarmee omgaan? Het is even belangrijk om buitenlandse onderzoekers aan te trekken en intern in Vlaanderen een dynamiek van nieuwe bedrijven te hebben. Kijk maar naar de histories van de lead plants zoals die van Siemens en Geely. De aansluiting bij de internationale dynamiek en Europese innovatieprogramma's is daarom essentieel. Een clusterbeleid is een efficiënt hulpmiddel, maar het maakt het beleid ook complexer." SOETE. "Het verschil tussen Vlaanderen en Nederland is fascinerend. Aan Nederlandse kant is het innovatiebeleid volledig vraaggestuurd. Het bedrijfsleven geeft aan waar er geld moet worden geïnvesteerd de komende jaren: dat zijn de negen topsectoren. Vervolgens stemt de minister daarop het technologie- en innovatiebeleid af. En op die manier bepaalt het bedrijfsleven ook een groot deel van de middelen bij het fundamenteel onderzoek, omdat die worden samengebald in die topsectoren. "In Vlaanderen is het omgekeerde aan de gang. De SOC's zijn dominant in de financiering. Iedereen - zeker in het buitenland - is daar laaiend enthousiast over. Bij imec en VIB onstaan nieuwe spin-outs of nieuwe bedrijvigheid, of staan de buitenlandse bedrijven in de rij om samen te werken. Dat is het aanbodgedreven model van kennis met topprestaties die vertrekken vanuit universiteiten. Vlaanderen staat daardoor op nummer één in het aantrekken van geld in de publieke kennisinstellingen. Dat geld komt van bedrijven en dan nog eens van buitenlandse bedrijven. Dat is absoluut uniek in Europa." SOETE. "Ze moeten naar elkaar toegroeien. Aan de Vlaamse kant moeten we meer rekening houden met de vraagkant, het toegepast onderzoek dus. Het aanbodgedreven onderzoek is interessant, maar uiteindelijk moet welvaart toch van de bedrijvigheid komen. Een voorwaarde daarvoor is de capacity to collaborate bij de kennisinstellingen. Ik denk dat de topkennisinstellingen in Vlaanderen daar vrij sterk in zijn. Het is eerder aan de bedrijfskant dat er een probleem is om de aanwezige kennis te absorberen. En dat komt omdat we een kmo-land zijn en onze bedrijven dus niet het personeel hebben om de kennis te verwerken. In Vlaanderen trekt een ingenieur met een doctoraat meestal naar een van de kennisinstellingen in plaats van naar het bedrijfsleven. In het buitenland ligt dat anders. Bijgevolg werken onze kennisinstellingen samen met buitenlandse bedrijven en minder met Vlaamse bedrijven." SOETE. "Onze diagnose is eerder dat de capacity to absorb bij de bedrijven een probleem is. De Vlaamse uitvoer, op enkele uitzonderingen na, bestaat over het algemeen nog altijd vooral uit halffabricaten. Wij zijn de toeleveringsbedrijven van de Duitse industrie. Wij voeren uit naar Duitsland en Duitsland verkoopt zijn afgewerkte producten aan de wereld. Er zit een grote kloof tussen de wetenschappelijke kennis in onze instellingen en de bezigheden van onze bedrijven." SOETE. "Een punt van kritiek op de competentiepolen is de versnippering en de veelheid van instrumenten. We moeten de efficiëntie van de beleidsinstrumenten tegen het licht houden, zeker tijdens een begrotingscrisis is dat zinvol. In alle eerlijkheid, denk ik dat het beleid met het concept van de lichte structuren (zie kader 'We moeten af van die verkavelingscultuur') een positieve lijn heeft uitgezet. Dat helpt om de versnippering te counteren. "Wij willen daar nog iets verder gaan. Creatieve destructie geldt ook voor overheidsinstrumenten. Beleidsinstrumenten hebben geen eeuwigdurende efficiëntie. Ze zijn nuttig op een bepaald moment, maar je moet ze ook tijdig durven af te bouwen. Het is moeilijk om competentiepolen of agentschappen af te schaffen. Daarom hebben we het radicale voorstel gedaan om in elk innovatie-instrument een uitdovingsclausule in te bouwen. "In de begrotingscontext is het fantastisch dat Vlaanderen ernaar streeft om tegen 2020 de 3 procentnorm te halen voor innovatie. Maar je kan er niet omheen dat ook de vraag rijst hoe efficiënt we die middelen besteden. En daarom hebben we ook het denkspoor gelanceerd om het kader voor het financiële commitment te houden, maar voorlopig 20 procent weg te halen bij elk agentschap. Pas na een nieuwe evaluatie beslis je waar dat geld naartoe moet. Dat kan alsnog naar die agentschappen zijn, maar ook naar nieuwe initiatieven. Ik denk dat het een nuttig instrument is om de versnippering tegen te gaan. "Bovendien zijn we wel kritisch over competentiepolen. We formuleren een aantal aanbevelingen die vragen om niet altijd nieuwe dingen in werking te brengen, maar het bestaande instrumentarium te heroriënteren." SOETE. "De gevestigde belangen van stakeholders zijn een probleem. Ik ben daar persoonlijk nogal op gefixeerd. Hoe kan je in een regio als Vlaanderen beslissingen nemen in organen waar het IWT, alle universiteiten, bedrijfsvertegenwoordigers en belangengroepen bij elkaar zitten... Hoe beoordeel je in zo'n context voorstellen? Je hebt dus raden van bestuur die middelen toekennen, toezicht op zichzelf houden en verzelfstandigd zijn van de overheidsadministratie? Dat zou in Nederland niet kunnen. "Het heeft te maken met de kleinschaligheid van Vlaanderen. En daarom ben ik voorstander om bilateraal het landschap voor innovatiebeleid te verbreden. Je zou alle voorstellen die binnenkomen bij het IWT en bij Agentschap NL in Nederland, voor de beoordeling systematisch naast elkaar kunnen leggen. En hetzelfde voor het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De middelen blijven gescheiden, maar de kwaliteitsbeoordeling gebeurt op het niveau van twee landen. Zeker in tijden van bezuinigingen lijkt dat een oplossing om de vested interests aan te pakken, tegelijk de kwaliteit van de beoordelingen te verhogen en eventueel de administratieve kosten naar beneden te halen." SOETE. "In tijden van crisis moet je toch opletten met de verwatering van je belastinginkomsten. Bovendien zijn economen verdeeld over het succes van die aanpak. Uiteindelijk gaat zo'n aftrek rechtstreeks naar de financieel directeur en of ze tot meer innovatie leidt dan wel tot hogere dividenden, is maar zeer de vraag. Studies wijzen erop dat subsidies een positiever effect hebben op de financiering van het onderzoek zelf. "Je kan nog een stap verder gaan en daarom stellen wij voor een gesegmenteerd beleid te voeren. Je hebt een aantal hightechbedrijven die de weg naar het IWT moeten vinden. Dat zijn cruciale bedrijven waarvoor we innovatieknooppunten hebben. Voor de rest hebben we een algemeen en veeleer pedagogisch ondersteunend beleid nodig dat kmo's via de lokale steunpunten ondersteunt, hen overtuigt om anders te evolueren dan ze nu bezig zijn." SOETE. "Dat is een probleem. Er zijn nochtans instrumenten zoals de regionale innovatieknooppunten. Wij zeggen nu dat je kmo's aan de ene kant een duwtje in de rug moet geven, maar aan de andere kant ook moet beseffen dat niet alle bedrijven innovatieve groeibedrijven willen zijn. Bedrijven verschillen nu eenmaal, en het is erg moeilijk om daar een beleid voor te hebben. Flancers DC of het Agentschap Ondernemen kunnen creativiteit en ondernemerschap wel stimuleren, maar ergens is er een limiet. Daarna voort willen gaan, is geld verspillen." ROELAND BYL"Het aanbodgedreven onderzoek is interessant, maar uiteindelijk moet welvaart van de bedrijvigheid komen" "Er is bij de bedrijven een probleem om de aanwezige kennis te absorberen"