Enkele opmerkingen bij en besluiten uit de grafiek:
...

Enkele opmerkingen bij en besluiten uit de grafiek:Voor de belegger zijn vooral de gele staven in de grafiek van belang. Zij geven de reële rente weer: hetgeen de obligatiebelegger echt verdiende. Een voorbeeld: in de jaren 1961-1970 leverde een obligatie gemiddeld een rente van 5,1 % op. Na aftrek van de gemiddelde prijsstijging in die periode (inflatie: 2,7 %) zag de obligatiebelegger zijn koopkracht met 2,4 % (reële rente) toenemen.In de jaren 1911-20 (-6,6 %) en 1941-50 (-3,6 %) waren de reële rendementen sterk negatief. De Wereldoorlogen I en II veroorzaakten een zeer hoge inflatie, die niet door hogere rendementen werd vergoed. Wie toen obligaties aanhield, verloor dus veel koopkracht. Uiteraard is oorlog een uitzonderlijke situatie, maar duidelijk is toch dat een extreem hoge of lage inflatie (deflatie) zelden volledig door het obligatierendement gecompenseerd wordt.In tijden van lichte deflatie - bijvoorbeeld de hele periode voor 1900 - daalde het rendement niet evenredig mee, en dat leverde hoge reële rendementen op.De eerste olieschok in de jaren zeventig dreef de inflatie tot gemiddeld 7,9 %. De rentevergoeding die toen werd geboden, lijkt met 8,2 % hoog maar daarvan hield de obligatiehouder gemiddeld slechts 0,3 % over. In sommige deelperiodes verloor de obligatiehouder zelfs koopkracht.In de jaren tachtig bleef de inflatie mede door de tweede olieschok hoog (5,3 %), maar de vergoeding op obligaties spurtte nog hoger, tot gemiddeld 10,4 %. Het expansieve beleid van de overheden deed de overheidsschuld alsmaar aanzwellen, wat tot een overaanbod aan obligaties leidde. En dat terwijl beleggers nog volop met de vrees voor een extreem hoge inflatie leefden.Periodes met een hoge inflatie zijn uitzonderlijk. In vredestijd was inflatie alleen in de jaren zeventig en tachtig een probleem. Inclusief de oorlogsperiodes stegen de prijzen de afgelopen 150 jaar gemiddeld met 2,4 %. Zonder WO I en II bedroeg de gemiddelde inflatie slechts 1,6 %.2001-2010.Door de demografische ontwikkeling, het monetaire beleid en de technologische ontwikkeling zou de inflatie laag kunnnen blijven én de vraag naar obligaties hoog. Zowel de nominale als de reële rente zouden dus kunnen dalen.Sommigen vergelijken de evolutie van internet in het informatietijdperk van vandaag met de industriële revolutie van het eind negentiende eeuw. Vandaag ervaren we inderdaad de combinatie van groei - vooral in de Verenigde Staten, maar in Europa verbetert de conjunctuur - en druk op de prijzen. Het internettijdperk is nog maar net begonnen, zodat de prijsdruk mogelijk in een algemene daling van het algemene prijspeil kan omslaan (zie de sitatie in 1870-1900 op de grafiek). In een dergelijk scenario zitten obligatiehouders gebeiteld en zolang de daling van het prijspeil beperkt blijft, wacht ook aandelenbeleggers nog gouden tijden. Duimen maar!