'Waarom beleggers de verkeerde fondsen kopen' van financieel journalist Thierry Debels komt in oktober 2003 uit bij Roularta Books.
...

'Waarom beleggers de verkeerde fondsen kopen' van financieel journalist Thierry Debels komt in oktober 2003 uit bij Roularta Books. "Dikken we de spaarrekening wat aan, of kopen we nog eens een fondsje, schat?" Dankzij de rally op de aandelenmarkten van de afgelopen maanden mag het woord beurs weer vallen in de huiskamer. De aangescherpte appetijt van de belegger in aandelen blies in elk geval nieuw leven in de Belgische en Europese beleggingsfondsenmarkt. Tussen maart en juni investeerden beleggers zo'n 13 miljard euro in Europese beleggingsfondsen. Daarmee komt een einde aan een periode van negen maand waarin geld wegvloeide uit de fondsenindustrie. De Belgische fondsenmarkt zag haar vermogen in het tweede kwartaal met 5,3 procent stijgen tot 78,5 miljard euro. Maar opgelet, wees geen lemming die achter de anderen de afgrond inloopt. Investeren in een beleggingsfonds lijkt eenvoudiger dan het is. Uw risico wordt netjes gespreid, dat wel, maar hebt u een idee van de kosten? Weet u hoe uw fonds beheerd wordt? Welk fonds moet u kopen? Het zijn evenveel vragen als valstrikken. Financieel journalist Thierry Debels zet in een nieuw boek 'Waarom beleggers de verkeerde fondsen kopen?' de meest gemaakte beleggersfouten bij de aankopen van fondsen op een rijtje. In de meeste jaarverslagen van beleggingsfondsen wordt niet vermeld welke aandelen precies gekocht en verkocht werden gedurende een bepaald werkingsjaar. Feit is wel dat (onnodige?) transacties wegen op de nettoreturn van dit fonds in het bijzonder en alle beleggingsfondsen in het algemeen. Een recente studie bracht aan het licht dat deze transactiekosten jaarlijks gemiddeld 0,78 % van de activa van het fonds bedragen. De studie vond dat deze transactiekosten een negatieve impact hadden op de nettoreturn en dat er geen bewijs gevonden werd voor het feit dat meer transacties zouden resulteren in een hogere return van het fonds. Ook John Bogle, de oprichter van de Amerikaanse fondsbeheerder Vanguard, fulmineert tegen deze onnodige transacties van actieve fondsbeheerders. Zo stelt hij in een interview dat toen hij startte in de wereld van de beleggingsfondsen, slechts 15 % van de aandelen van een actief beleggingsfonds verkocht werd. Dit betekent dus dat een aandeel gemiddeld zeven jaar werd bijgehouden. Nu houden fondsbeheerders aandelen bij voor slechts één jaar. "Iemand moet mij eens aantonen dat dit geen kortetermijnspeculatie is," aldus nog John Bogle. Maar ook de particuliere beleggers zelf kopen en verkopen te vaak aandelen van beleggingsfondsen. Het Amerikaanse onderzoeksbureau Financial Research Corporation (FRC) vond dat de gemiddelde uitstapgraad van Amerikaanse fondsen steeg van 17,4 % in 1996 tot 32,1 % in 2000. Dit betekent concreet dat beleggers hun fondsen steeds minder lang bijhouden: van 5,5 jaar in 1996 tot 2,9 jaar in 2000. Dit suboptimale beleggingsgedrag vermindert echter het rendement van de particuliere beleggers. Als die in de periode 1990-2000 hun fondsen gewoon hadden bijgehouden, was het jaarlijkse rendement 10,92 % geweest. Door evenwel te vaak te kopen en te verkopen daalde het rendement tot 8,7 %. Dat fondsenbeleggers hun fondsen veel sneller verkopen, gebeurt alleen in een stijgende markt. Dit fenomeen wordt ook bij aandelenbeleggers teruggevonden. Beleggers met aandelen die een kleine winst vertonen zullen die aandelen te snel verkopen. Ze willen immers trots zijn op hun 'prestatie', en worden door de banken daarbij niet zelden aangespoord om fondsen vroegtijdig te verkopen, met alle kosten vandien voor de belegger, en extra inkomsten voor de banken. In de hierboven vermelde studie van FRC bleek ook dat particuliere beleggers denken de markt te kunnen verslaan. Ze kochten immers vooral aandelen van beleggingsfondsen die het een voorbije periode goed hadden gedaan. Nu is er wel iets te zeggen voor deze strategie. Aandelen van beleggingsfondsen die het in een voorbije periode goed deden, doen het in de volgende periode waarschijnlijk ook nog goed. Dat fenomeen ( persistence) heeft evenwel niets te maken met de kunde van de fondsbeheerder, maar alles met het fenomeen momentum. De netto in- of uitstroom van geld in beleggingsfondsen volgt daarom ongeveer hetzelfde patroon als de beurs. Als de beurs het goed doet, gaat de netto-inflow vlot mee omhoog. Daalt de beurs, dan zakt de netto-inflow en wordt zelfs negatief. De timing van de meeste particuliere beleggers is dus verkeerd. Zo kopen immers als de koersen stijgen en 'hoog staan' en verkopen als de koersen dalen en 'laag staan'. Als beleggers een fonds kiezen dat het goed gedaan heeft in het verleden, menen ze soms dat dit de verdienste is van de fondsbeheerder. Meestal is dat slechts een illusie. In een interview met de Franse kwaliteitskrant Le Monde stelt Cyril Lureau van Sicav on line, een onafhankelijk financieel adviseur, het volgende: "Van alle Amerikaanse smallcapfondsen krijgt de helft van de beheerders die de value-stijl aanhangen, vijf sterren van Morningstar ( nvdr - de wereldwijde referentie inzake informatie over en ratings van beleggingsfondsen). Nochtans is de meerderheid van deze beheerders slechts middelmatig. De toegekende sterren zijn dus niet het gevolg van de kwaliteit van hun beheer, maar alleen van het feit dat ze voor een value-aanpak gekozen hebben. Een aanpak die op dat moment toevallig in de mode is. Kortom, een zogeheten uitzonderlijke beheerder is vaak niemand anders dan iemand die een bepaalde beleggingsstijl heeft die het in de referentieperiode goed gedaan heeft." Terwijl het nog enigszins te begrijpen is waarom beleggers zich aangetrokken voelen door fondsen die het in het (nabije) verleden goed hebben gedaan, is dit veel moeilijker voor beleggers die in slecht presterende fondsen blijven zitten. Martin Gruber, een van de éminences grises van de financiële economie, vroeg zich in 1996 in een artikel af waarom particuliere beleggers eigenlijk actief beheerde fondsen kopen. Hij stelt deze vraag omdat hij empirisch vaststelde dat gedurende de periode 1985-1994 actief beheerde fondsen het gemiddeld 2 % slechter deden dan de index. Waarom kopen beleggers dan geen indexfondsen, zo vraagt de auteur zich af? Gruber denkt het antwoord gevonden te hebben: fondsen die het in het (nabije) verleden goed deden, doen het nog een tijdje goed. Dit heeft, zoals eerder al verklaard, alles te maken met het feit dat een bepaalde beleggingsstijl in trek is. Deze oplossing voor zijn probleem stelt Gruber evenwel voor een nieuw raadsel: waarom blijven sommige beleggers dan zitten in slecht presterende fondsen? Hij biedt zelf het mogelijke antwoord aan in het besluit van zijn artikel: sommige beleggers zijn, en ik citeer: " unsophisticated". Ze baseren zich op reclame en advies van (afhankelijke) adviseurs. Een andere mogelijkheid die Gruber voorstelt, is dat sommige beleggers vastzitten aan een bepaald beleggingsfonds en dat het bijzonder duur is om eruit te stappen. Dat beleggers slecht presterende fondsen te lang bijhouden, is geen onbekend gegeven in de behavioral finance. Die stelde ook al vast dat beleggers aandelen die het slecht doen te lang in portefeuille houden. De reden hiervoor is dat ze door de verkoop van de zwak presterende aandelen uit te stellen, vermijden dat ze moeten toegeven eigenlijk een foute keuze gemaakt te hebben. Ze vertonen het fenomeen spijtaversie. Fondsenbeleggers maken vaak dezelfde fout. Het gespecialiseerde beleggerstijdschrift Bloomberg Personal Finance splitst de aandelenfondsen in twee groepen: de 'high cost funds' en de 'low cost funds'. In elke categorie waren er meer lagekostenfondsen die beter presteerden dan de gemiddelde return. Bij lezing van het document Info Sicav van ING valt op dat de beheersvergoeding van 1 fonds buitensporig hoog uitvalt. Het fonds ING (L) Invest Mobile Telecom rekent maar liefst 3 % beheersvergoeding aan. Dat brengt de totale kostenstructuur van dit fonds wellicht dicht in de buurt van de 5 %. De meeste andere aandelenfondsen van de bank rekenen een beheersvergoeding van 1,20 % aan. Waarom de beheersvergoeding hier zo hoog is, is op het eerste gezicht moeilijk te begrijpen. Het fonds is gelanceerd net na het toppunt van de TMT-gekte (telecom, media, technologie) in mei 2000. Wellicht dacht de bank dat een beheersvergoeding van 3 % niet zou doorwegen als een return van pakweg 50 % gehaald zou worden. Spijtig genoeg pakte het anders uit. De return voor 2001 bedroeg 39,7 %. Min 39,7 % uiteraard en 3 % jaarlijkse beheersvergoeding is hoe dan ook excessief. Hoe kan immers dit percentage gerechtvaardigd worden in vergelijking met de 1,20 % van de andere aandelenfondsen. Het kiezen (?) van (goede?) telecomaandelen lijkt me niet moeilijker dan pakweg aandelen uit de gezondheidszorg. Toch wordt voor ING (L) Invest Health Care 'maar' 1,20 % beheersvergoeding aangerekend. Als er dus één verband is dat níét geldt, dan is het wel dat 'dure fondsen goede fondsen' zijn. Behalve indien 'goed' geïnterpreteerd wordt als 'goed voor de fondsbeheerder'. Bij afhankelijke beleggingsadviseurs is het enigszins begrijpelijk dat ze de fondsen aanbevelen die van hogerhand 'aangeraden móéten worden'. Toen ik zelf nog adviseur was bij een Belgische grootbank, kregen we geregeld lijsten met fondsen die verkocht móésten worden. Het is logisch dat het personeel deze richtlijnen nauwkeurig volgt - wie wil er immers zijn baan verliezen? Bij een andere grootbank krijgen de kantoren sales targets opgelegd inzake nieuwe beleggingsproducten. Die dienen dan verkocht te worden aan beleggers die wellicht niet beter weten. Van journalisten is het moeilijker te begrijpen dat ze niet kritischer zijn. Een mogelijke denkpiste is dat er soms tóch een bepaalde ongezonde verstrengeling van belangen optreedt. Indien we bijvoorbeeld kijken naar de sponsors van de Fund Awards 2002 Belgium, zien we daar twee kranten. Als sponsor is het niet altijd makkelijk om een fondsbeheerder kritisch te evalueren als die net een aantal prijzen heeft ontvangen. Vraag is dan uiteraard waar de geïnteresseerde belegger nog terechtkan voor objectieve en kritische informatie over de fondsenindustrie. Uit onderzoek weten we dat particuliere beleggers een ongegronde voorkeur hebben voor de zogeheten glamouraandelen. Dit zijn aandelen die tegen een hoge prijs noteren in vergelijking met fundamentele parameters zoals de winst of de cashflow van het betrokken bedrijf. Tegenover glamouraandelen staan dan uiteraard value-aandelen. De voorkeur van particuliere beleggers voor glamouraandelen is onterecht omdat de prestatie van glamouraandelen zeer wispelturig is. Nu eens is de return van glamouraandelen beter dan die van value-aandelen en dan weer niet. Interessant is trouwens dat de prestatie van value-aandelen op lange termijn even goed was als die van glamouraandelen. Onderzoeksfirma Barra berekende immers dat value-aandelen van 1975 tot 2001 een jaarlijkse return leverden van 11,5 %. Net evenveel als de geliefde glamouraandelen. Toen de inventariswaarde van het ING fonds Renta Cash Short Medium fors begon te dalen, schrokken veel beleggers zich een hoedje (om het eufemistisch uit te drukken). Ze wisten immers niet dat de fondsbeheerder het fonds wat had 'opgepept' met langlopende obligaties en zelfs afgeleide producten. Nu zullen veel fondsbeheerders argumenteren dat beleggers niet hoeven te weten wat er in de black box zit, zolang ze maar het beloofde resultaat zien. Vraag is of dit antwoord na de vertrouwenscrisis op de aandelenbeurzen nog wel geslikt kan worden. Bovendien is een constructie met afgeleide producten altijd duur en dus betaalt de belegger uiteindelijk het gelag. Niet alleen hebben beleggers vaak geen inzicht in de kostenstructuur van de fondsen die ze in portefeuille hebben. Nog erger is dat ze niet beseffen wat de impact is van een klein kostenverschil op het uiteindelijke rendement van hun belegging. Het is een drama om een half procentje meer te betalen voor een bepaald fonds. De grafiek ( Verdubbel uw opbrengsten) maakt dit onmiddellijk duidelijk. In de grafiek staat telkens de evolutie van een belegging van 100.000 dollar. De investering brengt 8 % per jaar op. De intrest wordt samengevoegd bij het kapitaal (samengestelde intrest). In geval A betaalt de belegger jaarlijks 0,5 % kosten en geen instapkosten. De belegging groeit uit tot 866.000 dollar na dertig jaar. In geval C betaalt de belegger een instapcommissie van 5 % en jaarlijks 2 % kosten. De initiële zelfde investering van 100.000 dollar is na dertig jaar slechts opgelopen tot 521.000 dollar. In geval B - een jaarlijkse vergoeding van 1,5 % en geen instapkosten - groeit de 100.000 dollar aan tot net iets meer dan 600.000 dollar. Het Amerikaanse zakenblad Forbes is een van de weinige tijdschriften die consequent de nadruk erop leggen om bij de selectie van beleggingsfondsen goed te letten op de kostenstructuur. Volgens de uitgever heeft deze houding het tijdschrift niet populair gemaakt bij fondsenindustrie. De verzekering van De Post adverteerde begin 2002 voor het tak-23-product Postock-Cap met de voorstelling van een bedieningspaneel dat aan een lift hangt. Er is een knop omhoog om naar de elfde verdieping te gaan (11 % rendement) en een knop omlaag om naar de derde verdieping te gaan (3 % rendement). Bij de return van 11 % staat 'plafond' en bij de return van 3 % staat 'bodem'. De berekening van dergelijke rendementen gebeurde via de historische resultaten van een gelijkaardig product. Sommige adviseurs stellen het voor alsof de toekomstige rendementen van aandelen uit een grote bokaal gevist worden. In de bokaal zitten dan de historische rendementen. Waarschijnlijk geloven deze adviseurs hun eigen verhaal. Spijtig, want zo werkt de aandelenmarkt niet. De toekomst kennen we immers niet. Aandelen zouden op lange termijn inderdaad een iets hogere gemiddelde return moeten bieden dan bijvoorbeeld staatsobligaties. Niemand kan echter met zekerheid stellen dat een belegger met een gediversifieerde portefeuille aandelen, na tien, twintig of zelfs dertig jaar ook maar een positieve return zal halen. Even terug naar het fonds Postock-Cap. Het gaat om een gemengd fonds met 40 % tot 60 % aandelen en 35 % tot 50 % obligaties. Volgens de reclame dienen de obligaties als 'buffer om eventuele tijdelijke verliezen op de aandelen op te vangen'. Waarschijnlijk hebben de fondsbeheerders de grafieken uit het verleden niet goed bestudeerd, want de intrest en (eventuele) koersstijgingen op de obligatieportefeuille zijn in de meeste gevallen gewoon ontoereikend om scherpe koersdalingen van aandelen op te vangen. Maar dat had de belegger al lang door aan de hand van de steeds afnemende inventariswaarde. Als dat maar goed afloopt. Thierry DebelsWees geen lemming die achter de anderen de afgrond inloopt. Geloof niet zomaar uw bankier: grootbanken krijgen vaak verkoopdoelstel-lingen voor hun beleggingsproduc-ten opgelegd.