Geen enkel macro-economisch gegeven heeft het aanschijn van de wereld meer veranderd dan inflatie. In onze geschiedenis ontstonden revoluties niet alleen door koene Bravehearts, maar ook door voedselinflatie. In de negentiende eeuw vertegenwoordigde brood niet minder dan 40 procent van het doorsneegezinsbudget. Er bleef niet veel geld over voor een nieuwe smartphone of een hippe zonnebril, hadden die al bestaan. Wanneer wanbeleid van de heersende klasse leidde tot muntontwaarding, schoot de voedselinflatie de hoogte in, met hongersnood en revolutie tot gevolg.

En geen macro-economisch gegeven is zo ongrijpbaar als inflatie. Het prijspeil ging door de eeuwen heen alle kanten uit, maar merkwaardig genoeg bleef het per saldo stabiel. Het prijspeil aan het begin van de twintigste eeuw lag op hetzelfde niveau als in de zestiende eeuw. Een structurele stijging van het prijspeil is een vrij recent fenomeen dat zich manifesteert sinds de jaren zeventig, wellicht niet toevallig nadat Nixon de band tussen de dollar en goud had doorgeknipt. De inflatie ontspoorde, maar werd in de jaren tachtig bedwongen door het strakke monetaire beleid van Paul Volcker, die de beleidsrente optrok tot 20 procent. De economie schoot in een kramp, maar veerde snel op. Het succes van Volcker legde de focus van de centrale banken op het beteugelen van de inflatie.

Inflatie kan de verrassing van 2021 worden.

Het inflatiebeest werd getemd, maar de financiële crisis van 2007 liet een ander beest los: deflatie. De financiële crisis viel samen met het begin van de vergrijzing. De babyboomers gingen massaal op pensioen en de jonge generatie maakte minder kindjes. In de Europese Unie is het vruchtbaarheidscijfer teruggevallen tot 1,5, terwijl 2,1 nodig is om de bevolking op peil te houden. De stijgende kosten van de vergrijzing worden gedragen door een krimpende actieve bevolking, met een ontsporing van de overheidsfinanciën tot gevolg. Het massieve gewicht van de schuldenberg, in combinatie met afkalvende productiviteitswinsten, creëert een sterke deflatoire onderstroom. De centrale banken hebben het geweer van schouder moeten veranderen. Ze zetten alle zeilen bij om de inflatie weer op te krikken, van de massale aankopen van schulden tot negatieve rentes, maar ze zijn er tot hun frustratie vooral in geslaagd activaprijsinflatie te creëren in plaats van consumentenprijsinflatie. Tot het virus kwam.

De uitbraak van de pandemie was een deflatoire schok in een deflatoire omgeving en wordt bestreden met een steeds extremer monetair en budgettair beleid. De miljarden vliegen de deur uit. Bij gebrek aan alternatief hebben de burgers een belangrijk bijkomend spaarvermogen opgebouwd. De consument zit op een berg cash en op zijn honger. Met de algemene vaccinatie in zicht staat hij klaar om het geld over de balk te gooien. En het zal wat mogen kosten. Ook ondernemingen hebben dat begrepen en zullen ongetwijfeld hun prijzen verhogen. Wie kan ze ongelijk geven na al het leed?

China heeft als eerste het virus bedwongen, groeit sterk en trekt andere opkomende landen mee. Samen met de verstoring van de aanvoerlijnen - wie vandaag een Duitse auto bestelt in België, mag de levering verwachten in oktober - zien we een enorme stijging van de grondstoffenprijzen. De prijs van ijzererts is verdubbeld tegenover het niveau van voor de uitbraak van het virus. De prijs van koper is met 60 procent gestegen. Stijgende grondstoffenprijzen vertalen zich steevast in een hogere inflatie, zij het met vertraging. Het is geen verrassing dat de obligatiemarkt nerveus begint te worden. De oplopende rente is de kanarie in de koolmijn. De meeste economen lijken zich nog niet te veel zorgen te maken over een opstoot van inflatie. Ze zouden zich kunnen vergissen. Inflatie kan de verrassing van 2021 worden.

Geen enkel macro-economisch gegeven heeft het aanschijn van de wereld meer veranderd dan inflatie. In onze geschiedenis ontstonden revoluties niet alleen door koene Bravehearts, maar ook door voedselinflatie. In de negentiende eeuw vertegenwoordigde brood niet minder dan 40 procent van het doorsneegezinsbudget. Er bleef niet veel geld over voor een nieuwe smartphone of een hippe zonnebril, hadden die al bestaan. Wanneer wanbeleid van de heersende klasse leidde tot muntontwaarding, schoot de voedselinflatie de hoogte in, met hongersnood en revolutie tot gevolg. En geen macro-economisch gegeven is zo ongrijpbaar als inflatie. Het prijspeil ging door de eeuwen heen alle kanten uit, maar merkwaardig genoeg bleef het per saldo stabiel. Het prijspeil aan het begin van de twintigste eeuw lag op hetzelfde niveau als in de zestiende eeuw. Een structurele stijging van het prijspeil is een vrij recent fenomeen dat zich manifesteert sinds de jaren zeventig, wellicht niet toevallig nadat Nixon de band tussen de dollar en goud had doorgeknipt. De inflatie ontspoorde, maar werd in de jaren tachtig bedwongen door het strakke monetaire beleid van Paul Volcker, die de beleidsrente optrok tot 20 procent. De economie schoot in een kramp, maar veerde snel op. Het succes van Volcker legde de focus van de centrale banken op het beteugelen van de inflatie.Het inflatiebeest werd getemd, maar de financiële crisis van 2007 liet een ander beest los: deflatie. De financiële crisis viel samen met het begin van de vergrijzing. De babyboomers gingen massaal op pensioen en de jonge generatie maakte minder kindjes. In de Europese Unie is het vruchtbaarheidscijfer teruggevallen tot 1,5, terwijl 2,1 nodig is om de bevolking op peil te houden. De stijgende kosten van de vergrijzing worden gedragen door een krimpende actieve bevolking, met een ontsporing van de overheidsfinanciën tot gevolg. Het massieve gewicht van de schuldenberg, in combinatie met afkalvende productiviteitswinsten, creëert een sterke deflatoire onderstroom. De centrale banken hebben het geweer van schouder moeten veranderen. Ze zetten alle zeilen bij om de inflatie weer op te krikken, van de massale aankopen van schulden tot negatieve rentes, maar ze zijn er tot hun frustratie vooral in geslaagd activaprijsinflatie te creëren in plaats van consumentenprijsinflatie. Tot het virus kwam. De uitbraak van de pandemie was een deflatoire schok in een deflatoire omgeving en wordt bestreden met een steeds extremer monetair en budgettair beleid. De miljarden vliegen de deur uit. Bij gebrek aan alternatief hebben de burgers een belangrijk bijkomend spaarvermogen opgebouwd. De consument zit op een berg cash en op zijn honger. Met de algemene vaccinatie in zicht staat hij klaar om het geld over de balk te gooien. En het zal wat mogen kosten. Ook ondernemingen hebben dat begrepen en zullen ongetwijfeld hun prijzen verhogen. Wie kan ze ongelijk geven na al het leed? China heeft als eerste het virus bedwongen, groeit sterk en trekt andere opkomende landen mee. Samen met de verstoring van de aanvoerlijnen - wie vandaag een Duitse auto bestelt in België, mag de levering verwachten in oktober - zien we een enorme stijging van de grondstoffenprijzen. De prijs van ijzererts is verdubbeld tegenover het niveau van voor de uitbraak van het virus. De prijs van koper is met 60 procent gestegen. Stijgende grondstoffenprijzen vertalen zich steevast in een hogere inflatie, zij het met vertraging. Het is geen verrassing dat de obligatiemarkt nerveus begint te worden. De oplopende rente is de kanarie in de koolmijn. De meeste economen lijken zich nog niet te veel zorgen te maken over een opstoot van inflatie. Ze zouden zich kunnen vergissen. Inflatie kan de verrassing van 2021 worden.