Vorige week voltrok zich in Antwerpen een menselijk drama. Bij de instorting van een school in aanbouw kwamen vijf buitenlandse arbeiders om het leven. Onze gedachten zijn in de eerste plaats bij de nabestaanden van de slachtoffers. Elk ongeval op een bouwwerf is er een te veel. Wat de exacte, al dan niet technische, reden van de instorting was, zal het onderzoek uitwijzen.

Het feit dat niet van alle aanwezigen de identiteit bekend was, roept terecht vragen op. De eis van de vakbonden om onmiddellijk strengere tewerkstellingsmaatregen in te voeren en bijkomende drempels op te leggen voor buitenlandse onderaannemers en arbeiders, kunnen we echter veeleer als een vorm van emotionele chantage beschouwen.

Onder het mom van veiligheid wil men snel extra tewerkstellingsregels (lees: nieuwe verplichtingen) doorduwen. Door geen enkel van hun voorstellen zouden er minder doden vallen bij zo'n drama. Het voorkomen van rampen of ongevallen staat los van de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen, ongeacht of ze al dan niet uit het buitenland komen. Laat ons de discussie dus correct en sereen voeren.

De regels zijn uitgebreid en duidelijk. Detachering is enkel mogelijk met een A1-document, een uniform Europees document dat wordt uitgereikt in het land van herkomst en dat ervoor zorgt dat de gedetacheerde daar sociaal verzekerd blijft. Voor iedere gedetacheerde, zowel een werknemer als een zelfstandige, moet daarnaast een Limosa-melding gedaan worden. Dat is een melding aan de Belgische RSZ. Als bewijs van de melding ontvangt men een formulier L1. De hoofdaannemers moeten beide documenten altijd controleren vooraleer ze de buitenlanders op de werven toelaten.

Dwing het naleven van bestaande regels in de bouwsector af in plaats van nieuwe te verzinnen.

Elke buitenlandse onderaannemer moet ook worden aangegeven in de werfmelding 30bis, net zoals de Belgische onderaannemers. Dat is een verplichte elektronische melding aan de RSZ door de hoofdaannemer. Zo hebben de inspectiediensten altijd een zicht op de hele keten van aannemers die op een werf aanwezig is, alsook in de meeste gevallen - hetgeen bij de ingestorte school in Antwerpen zeker het geval was - een zicht op wie waar aan het werken is. Want op grote werven (van minstens 500.000 euro) geldt de elektronische aanwezigheidsregistratie. Ook buitenlandse aannemers vallen onder die verplichting. Zo hebben de hoofdaannemer en de inspectiediensten een zicht op welke arbeidskrachten op de werf ingeschakeld worden.

In de plaats van te pleiten voor nieuwe regels en maatregelen, denken we beter samen na over een oplossing om de verplichtingen meer afdwingbaar en controleerbaar te maken. We moeten ons behoeden voor een heksenjacht. Administratieve vergissingen zijn menselijk en kunnen gebeuren, maar er zijn nog altijd malafide aannemers die de regels consequent met de voeten treden, al dan niet schermend met de EU-regelgeving.

Het is onverstandig om in een emotionele opwelling méér en strengere regels te bepleiten. Die bieden geen meerwaarde voor de veiligheid en spelen alleen maar in de kaart van de fraudeurs. Enkel de bonafide aannemers zullen zich engageren om de bestaande en de nieuwe regels correct op te volgen.

Een vraag die we wel moeten durven stellen, is of de tendens naar almaar grotere bouwprojecten wel gezond is voor de arbeiders en de kwaliteit van de werken. Overheidsopdrachten worden vaak gebundeld tot mastodontprojecten, waar enkel de grote spelers op kunnen inschrijven. De prijzen zijn scherp, en de onderaannemers zijn daar de dupe van. Oneerlijke concurrentie en kwaliteitsverlies zijn dan mogelijke gevolgen.

Met de relanceplannen en de klimaatuitdaging in het vooruitzicht komt veel werk af op de bouw. Daarvoor zullen ook veel buitenlandse handen nodig zijn. We kunnen er samen voor zorgen dat, ongeacht de vorm van tewerkstelling, dat enkel mogelijk is mits het respecteren van alle bestaande verplichtingen. Daarnaast moeten we, op basis van de conclusies van het onderzoek, nagaan hoe we zulke rampen kunnen vermijden, zodat onze mensen, los van hun nationaliteit, in veilige omstandigheden kunnen werken.

Vorige week voltrok zich in Antwerpen een menselijk drama. Bij de instorting van een school in aanbouw kwamen vijf buitenlandse arbeiders om het leven. Onze gedachten zijn in de eerste plaats bij de nabestaanden van de slachtoffers. Elk ongeval op een bouwwerf is er een te veel. Wat de exacte, al dan niet technische, reden van de instorting was, zal het onderzoek uitwijzen.Het feit dat niet van alle aanwezigen de identiteit bekend was, roept terecht vragen op. De eis van de vakbonden om onmiddellijk strengere tewerkstellingsmaatregen in te voeren en bijkomende drempels op te leggen voor buitenlandse onderaannemers en arbeiders, kunnen we echter veeleer als een vorm van emotionele chantage beschouwen.Onder het mom van veiligheid wil men snel extra tewerkstellingsregels (lees: nieuwe verplichtingen) doorduwen. Door geen enkel van hun voorstellen zouden er minder doden vallen bij zo'n drama. Het voorkomen van rampen of ongevallen staat los van de tewerkstelling van arbeiders en zelfstandigen, ongeacht of ze al dan niet uit het buitenland komen. Laat ons de discussie dus correct en sereen voeren.De regels zijn uitgebreid en duidelijk. Detachering is enkel mogelijk met een A1-document, een uniform Europees document dat wordt uitgereikt in het land van herkomst en dat ervoor zorgt dat de gedetacheerde daar sociaal verzekerd blijft. Voor iedere gedetacheerde, zowel een werknemer als een zelfstandige, moet daarnaast een Limosa-melding gedaan worden. Dat is een melding aan de Belgische RSZ. Als bewijs van de melding ontvangt men een formulier L1. De hoofdaannemers moeten beide documenten altijd controleren vooraleer ze de buitenlanders op de werven toelaten.Elke buitenlandse onderaannemer moet ook worden aangegeven in de werfmelding 30bis, net zoals de Belgische onderaannemers. Dat is een verplichte elektronische melding aan de RSZ door de hoofdaannemer. Zo hebben de inspectiediensten altijd een zicht op de hele keten van aannemers die op een werf aanwezig is, alsook in de meeste gevallen - hetgeen bij de ingestorte school in Antwerpen zeker het geval was - een zicht op wie waar aan het werken is. Want op grote werven (van minstens 500.000 euro) geldt de elektronische aanwezigheidsregistratie. Ook buitenlandse aannemers vallen onder die verplichting. Zo hebben de hoofdaannemer en de inspectiediensten een zicht op welke arbeidskrachten op de werf ingeschakeld worden.In de plaats van te pleiten voor nieuwe regels en maatregelen, denken we beter samen na over een oplossing om de verplichtingen meer afdwingbaar en controleerbaar te maken. We moeten ons behoeden voor een heksenjacht. Administratieve vergissingen zijn menselijk en kunnen gebeuren, maar er zijn nog altijd malafide aannemers die de regels consequent met de voeten treden, al dan niet schermend met de EU-regelgeving. Het is onverstandig om in een emotionele opwelling méér en strengere regels te bepleiten. Die bieden geen meerwaarde voor de veiligheid en spelen alleen maar in de kaart van de fraudeurs. Enkel de bonafide aannemers zullen zich engageren om de bestaande en de nieuwe regels correct op te volgen.Een vraag die we wel moeten durven stellen, is of de tendens naar almaar grotere bouwprojecten wel gezond is voor de arbeiders en de kwaliteit van de werken. Overheidsopdrachten worden vaak gebundeld tot mastodontprojecten, waar enkel de grote spelers op kunnen inschrijven. De prijzen zijn scherp, en de onderaannemers zijn daar de dupe van. Oneerlijke concurrentie en kwaliteitsverlies zijn dan mogelijke gevolgen.Met de relanceplannen en de klimaatuitdaging in het vooruitzicht komt veel werk af op de bouw. Daarvoor zullen ook veel buitenlandse handen nodig zijn. We kunnen er samen voor zorgen dat, ongeacht de vorm van tewerkstelling, dat enkel mogelijk is mits het respecteren van alle bestaande verplichtingen. Daarnaast moeten we, op basis van de conclusies van het onderzoek, nagaan hoe we zulke rampen kunnen vermijden, zodat onze mensen, los van hun nationaliteit, in veilige omstandigheden kunnen werken.