Het academiejaar is begonnen en de Vrije Universiteit Brussel (VUB) verkondigt de invoering van vrouwenquota voor de aanstelling van docenten. "Een op de drie professoren moet een vrouw zijn", stelt rector Caroline Pauwels. De universiteit volgt daarmee precedenten van genderquota voor kieslijsten en in raden van bestuur van vennootschappen. Telkens wordt een elite van succesvolle vrouwen nog succesvoller gemaakt dankzij hun geslacht, ten nadele van het mannelijke geslacht.
...

Het academiejaar is begonnen en de Vrije Universiteit Brussel (VUB) verkondigt de invoering van vrouwenquota voor de aanstelling van docenten. "Een op de drie professoren moet een vrouw zijn", stelt rector Caroline Pauwels. De universiteit volgt daarmee precedenten van genderquota voor kieslijsten en in raden van bestuur van vennootschappen. Telkens wordt een elite van succesvolle vrouwen nog succesvoller gemaakt dankzij hun geslacht, ten nadele van het mannelijke geslacht. Wat motiveert deze orkestratie van geslachtsdiscriminatie? De rector ziet de knoop in wat ze "structurele genderongelijkheid" noemt in de academische selectie. Zowel de samenstelling van de selectiecommissies als de selectiecriteria zouden te veel op maat van mannen zijn gemaakt. Dat is een straffe beschuldiging van haar eigen wereld. Als ze waar is, lijkt het antwoord evident: herbekijk de commissies en de criteria. Ik weet niet waarom de VUB de weg van geforceerde quota boven die van verbeterde selectie verkiest. In elk geval verplicht de Europese wetgeving het omgekeerde. Als een veronderstelde ondervertegenwoordiging van vrouwen te wijten is aan genderspecifieke obstakels op het pad naar promotie, mag positieve discriminatie die obstakels gericht compenseren ten voordele van vrouwelijke kandidaten. Een arbitrair genderpercentage opdringen, mag niet. De VUB begeeft zich dus juridisch op glad ijs, al moeten we afwachten of daar ooit een klacht van komt. Ik twijfel ook aan de premisse van vrouwonvriendelijke selectie. De molen van de universitaire opvolging draait langzaam en het zal nog een tijd duren vooraleer een generatie van vooral mannelijke professoren de baan vrijmaakt voor een generatie waarin vrouwen wel goed zijn vertegenwoordigd.Maar dat zijn eigenlijk details. Wat echt op het spel staat, is hoe onze samenleving met de groeiende diversiteit omgaat. Kunnen we die omarmen in een context van autonomie, keuze, merite en verantwoordelijkheid? Kunnen we blijven vasthouden aan het ideaal van gelijkheid voor de wet in plaats van door de wet? Kunnen we de actieve promotie van kansengelijkheid nastreven zonder georganiseerde resultatengelijkheid? Op die samenlevingsvragen geven quota een radicaal negatief antwoord. Quota betekenen geforceerde statusgelijkheid die botst met het DNA van de democratische rechtsstaat: resultatengelijkheid, door de wet, ongeacht merite, ten bate van een politiek bevoordeelde groep. Een hellend vlak naar identiteitsverkaveling die begint bij vrouwen en eindigt in een willekeurig opbod van minderheden met allemaal hun versie van zogenoemde 'structurele discriminatie'. Waar democratische regimes quota invoeren, beogen ze meestal de compensatie voor historische raciale apartheid of kastendiscriminatie. Zelfs in die uitzonderlijke context zijn de resultaten teleurstellend. Geforceerde statusbevoordeling raakt niet aan onderliggende culturele oorzaken van statusbenadeling: ze omzeilt die met artificiële percentages die wel individuen maar niet de hele groep helpen. Samenleven in diversiteit vergt dat we quota mijden om elkaars vooroordelen wederzijds aan te kaarten. Het is schrijnend dat uitgerekend de universitaire wereld vooroploopt in quotawoede. De universiteit moet een bastion zijn van verdienste en excellentie, niet een laboratorium voor sociale engineering ten voordele van deze of gene belangengroep.