De kosten van brandstof, kunstmest, granen en andere basisproducten zijn overal gestegen. Maar niet overal heeft men de mond vol van inflatie. Van de 42 grote economieën die op de indicatorenpagina van The Economist staan, hebben er acht een inflatie van minder dan 4 procent. Zes van die acht liggen in Oost- of Zuidoost-Azië (zie grafiek onderaan). In die regio zijn er ook enkele kleine oases van prijsstabiliteit, zoals Vietnam (2,9%) en Macau (1,1%).
...

De kosten van brandstof, kunstmest, granen en andere basisproducten zijn overal gestegen. Maar niet overal heeft men de mond vol van inflatie. Van de 42 grote economieën die op de indicatorenpagina van The Economist staan, hebben er acht een inflatie van minder dan 4 procent. Zes van die acht liggen in Oost- of Zuidoost-Azië (zie grafiek onderaan). In die regio zijn er ook enkele kleine oases van prijsstabiliteit, zoals Vietnam (2,9%) en Macau (1,1%). Een deel van de verklaring ligt in de verspreiding van twee ziekten. Een uitbraak van Afrikaanse varkenspest van 2018 tot 2021 verwoestte de varkenspopulatie in China. Daardoor steeg de prijs van varkensvlees dramatisch. De prijs is daarna sterk gedaald. Dat hielp de inflatiedruk elders in de economie te compenseren. De andere ziekte is covid-19. Veel delen van Azië hebben zich langzamer aan het virus overgegeven dan het Westen. Indonesië heeft de quarantaine voor internationale aankomsten pas op 22 maart volledig opgeheven. In Maleisië werden reizen en verplaatsingen pas begin mei weer normaal. Taiwan blijft nog voorzichtig. De recente lockdowns in onder andere Sjanghai belemmerden zowel het vermogen van de economie om goederen te leveren als de bereidheid van de consumenten om ze te kopen. In mei daalden de retailverkopen met bijna 10 procent in vergelijking met een jaar eerder. De beperkingen op grensoverschrijdend verkeer waren verwoestend voor de economieën van Hongkong en Macau, dat afhankelijk is van bezoekers van het vasteland om zijn casino's te vullen. Het bruto binnenlands product van Macau bedroeg in het eerste kwartaal van dit jaar minder dan de helft dan in dezelfde periode van 2019. Om de hoge inflatie te bestrijden, verhoogde de Amerikaanse Federal Reserve de rente op 15 juni met 0,75 procentpunt. Die haast bemoeilijkt de strijd van Oost-Azië tegen dezelfde vijand. Hogere rentetarieven in Amerika trekken wereldwijde kapitaalstromen aan, waardoor de Aziatische valuta onder neerwaartse druk komen te staan. Hongkong, dat zijn munt aan de Amerikaanse dollar heeft gekoppeld, en Macau, dat zijn munt aan die van Hongkong heeft verbonden, moesten de rente verhogen op de dag nadat de Fed dat had gedaan. Ook Maleisië en Taiwan hebben de rente al verhoogd. Indonesië doet dat naar verwachting volgende maand. Een uitzondering is Japan. Op 17 juni herhaalde de Bank of Japan haar engagement om zoveel tienjarige staatsobligaties op te kopen als nodig is om hun rendement op niet meer dan 0,25 procent te houden, zelfs nu de equivalente rendementen in Amerika sterk zijn gestegen tot meer dan 3,2 procent. Dat rendementsverschil heeft bijgedragen tot een keldering van de yen. Een zwakke yen zal de invoerprijzen opdrijven, wat bijdraagt tot de inflatie in Japan. Als de inflatie blijft toenemen, zullen de mensen ter compensatie hogere lonen eisen. Die zullen op hun beurt de prijzen opdrijven. Veel landen zijn bang voor zo'n loon-prijsspiraal. Maar in Japan streven beleidsmakers daar al lang naar. Na jaren van zwakke vraag en dalende prijzen waren de inflatieverwachtingen gevaarlijk laag geworden. De Japanse centrale bankiers willen hun tanden nog dieper in de inflatie zetten.