Een en ander blijkt uit een studie die de federatie van grootverbruikers van energie Febeliec liet uitvoeren door het studiecentrum Energyville. Met het rapport willen de initiatiefnemers in de eerste plaats de Belgische en Europese beslissingsnemers ondersteunen door op feiten gebaseerde cijfers aan te brengen. "Er worden nu soms conclusies getrokken over bijvoorbeeld capaciteitsmechanismes of grootschalige opslag van elektriciteit", stipt Ronnie Belmans, de CEO van Energyville, aan. "Terwijl je geen energiebeleid kunt beginnen zonder de feiten te kennen."
...

Een en ander blijkt uit een studie die de federatie van grootverbruikers van energie Febeliec liet uitvoeren door het studiecentrum Energyville. Met het rapport willen de initiatiefnemers in de eerste plaats de Belgische en Europese beslissingsnemers ondersteunen door op feiten gebaseerde cijfers aan te brengen. "Er worden nu soms conclusies getrokken over bijvoorbeeld capaciteitsmechanismes of grootschalige opslag van elektriciteit", stipt Ronnie Belmans, de CEO van Energyville, aan. "Terwijl je geen energiebeleid kunt beginnen zonder de feiten te kennen."De studie gaat uit van een aantal randvoorwaarden, zoals de geplande sluiting van het Belgische nucleaire productiepark en het nakomen van de Europese klimaat- en hernieuwbare-energiedoelstellingen. Via dat model wordt dan vervolgens de meest kostenefficiënte manier berekend om aan die voorwaarden te voldoen. Daarbij wordt rekening gehouden met leercurves van nieuwe technologieën, inclusief de recente prijsdaling van offshore-windparken. Subsidies worden echter niet in rekening gebracht. Die zijn wel van belang voor de betrokken bedrijven (en de belastingbetaler), maar hebben geen invloed op de kosten an sich.In het basisscenario (bij ongewijzigd beleid) komen de meerkosten neer op 4,38 miljard euro. In ruil daarvoor zijn tegen 2030 alle kerncentrales dicht en zijn hernieuwbare bronnen en gascentrales goed voor elk de helft van de Belgische stroomproductie. Vooral windenergie op land kent dan een opmars, met bijna een verzesvoudiging. Ook stijgt de import van elektriciteit naar 15,6 terrawattuur. Dat is 2,5 keer meer dan nu, maar minder dan de 21 tWh van 2015. Al waarschuwt Peter Claes, directeur van Febeliec, dat er om te kunnen importeren, niet alleen voldoende invoercapaciteit moet zijn, maar vooral ook genoeg buurlanden die stroom kunnen uitvoeren. "We hebben een meer Europese markt nodig, want tijdens piekuren zal iedereen elektriciteit nodig hebben."Overigens stijgt in dat scenario de uitstoot van CO2 door de elektriciteitsproducenten, al wordt dat gecompenseerd door een daling elders. Zo zullen de naar schatting 700.000 elektrische voertuigen die in 2030 rondrijden, de uitstoot in de transportsector doen dalen. Die meerkosten blijven uiteraard niet zonder gevolgen voor de factuur. Die bestaat, voor de goede orde, uit de energieprijs, de distributie- en transmissiekosten en ten slotte belastingen en taksen. Indien het basisscenario bewaarheid wordt, dan stijgen de productiekosten van elektriciteit met ongeveer 50 euro per megawattuur. Dat is ongeveer evenveel als de huidige marktprijs van elektriciteit. Al klopt de redenering niet helemaal, want een deel van de extra kosten ­- bijvoorbeeld 100 miljoen euro per jaar investeringen in het netwerk - komen terecht bij de distributie- en transmissiekosten. Maar voor de factuur verandert dat niets. Wie die extra kosten betaalt, is een andere zaak. "De overheid kan ervoor kiezen om, zoals in Nederland, een deel van de kosten in de algemene begroting op te nemen", stelt Luc Sterckx, de voorzitter van Febeliec.Bovendien zal het marktmechanisme moeten veranderen, weet Belmans. "Nu is dat gebaseerd op de marginale kostprijs (de productiekosten van de laatste eenheid om een evenwicht te bereiken op de markt, nvdr). Bij hernieuwbare energie is die nagenoeg nul, omdat ze geen brandstofkosten hebben. Daarmee kan je geen investeringen financieren." Claes koppelt de resultaten aan eerdere studies van Deloitte, die uitwijzen dat de energie-intensieve industrie in ons land een energiekostenhandicap heeft van 20 tot 40 procent. "Indien die kosten voluit worden doorgerekend, dan gaan we er nog verder op achteruit. Terwijl de energie-intensieve industrie hier een zwaarder deel van het bbp uitmaakt dan in onze buurlanden.""Daarom blijven we het idee van een energienorm (waardoor de energiekosten niet hoger mogen liggen dan in onze buurlanden, nvdr) koesteren en verdedigen", vult Sterckx aan. "Er zijn maatregelen nodig om de concurrentiepositie van onze industrie te vrijwaren. Zonder energienorm jagen we de industrie het land uit." Hoewel de energienorm in zowel het Vlaamse als het federale regeerakkoord staat, bespeurt Sterckx politiek veel goede wil, maar geen resultaten. "Vlaams minister-president Geert Bourgeois heeft in september gezegd dat de Vlaamse energienorm in 2017 wordt gerealiseerd, en we hopen dat dat voorbeeld inspirerend werkt voor de andere overheden." Naast het basisscenario werden ook andere mogelijkheden bekeken. Een scenario waarbij de import zou worden beperkt tot 10 procent, maakt dat de nood aan gascentrales stijgt, net als de CO2-emissies. Bij hoge olieprijzen schieten de productie van hernieuwbare energie en de import de hoogte in. In dat scenario komt er trouwens nog een windmolenpark op zee bij. Helaas tegen een kostprijs, want het totaal komt dan uit op 4,6 miljard euro. Het goedkoopste scenario (3,02 miljard euro) is dat met lage olieprijzen, waar dan vooral de gasgestookte centrales van profiteren. Helaas valt de olieprijs eigenlijk niet te voorspellen.Een laatste variant gaat uit van een levensduurverlenging van de jongste twee kernreactoren, Doel 4 en Tihange 3, goed voor een productiecapaciteit van 2000 mWh. In dat scenario dalen de kosten tot 3,68 miljard euro, waarbij vooral de gascentrales marktaandeel verliezen, maar ook de laatste drie windmolenparken op zee niet worden gebouwd. Dat levert een CO2-uitstoot op die zelfs iets lager ligt dan die van 2016.Dat laatste scenario zou kunnen duiden op een voorkeur van Febeliec om de kernuitstap gedeeltelijk te herbekijken, maar dat is volgens Sterckx uitdrukkelijk niét de bedoeling. "Het is aan de politici om beleidskeuzes te maken. Tegelijk gaat dit over aanzienlijke bedragen. De meerkosten van 4,3 miljard euro komt neer op 1,1 procent van het bruto nationaal product. Dan kan je het best beslissen op basis van gefundeerde toekomstverwachtingen."